direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Eikelhofweg 18b
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1773.BP2017001029-0301

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het perceel Eikelhofweg 18b te Olst is een bedrijf dat is gespecialiseerd in compacttractoren en aanbouwwerktuigen gevestigd. De initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe opslaghal te bouwen, achter de bestaande werkplaats op het perceel. Het doel is om de huidige externe opslaglocatie af te stoten en een alternatieve opslaglocatie op de bestaande locatie te realiseren, zodat geen vervoer meer nodig is tussen twee verschillende locaties. Het terrein waarop de hal zal worden gebouwd, is in eigendom van de initiatiefnemer.

De bestaande bedrijfsgebouwen op het perceel vallen, op grond van het geldende bestemmingsplan, binnen een bouwvlak met de bestemming 'Bedrijf'. De beoogde locatie van de nieuwe hal heeft op dit moment de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden'. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, zal het bestaande bouwvlak met de bestemming 'Bedrijf' moeten worden vergroot.

1.2 Plangebied

Het onderhavige plangebied ligt langs de Eikelhofweg in de gemeente Olst-Wijhe, in de buurtschap Eikelhof. Deze buurtschap ligt ten zuidoosten van de kern Olst. De nabije omgeving van het plangebied wordt met name gekenmerkt door weilanden. Direct aan de oostzijde van het plangebied ligt één woning en aan de andere zijde van de Eikelhofweg zijn verspreid een aantal woningen gelegen. Ten westen van het plangebied ligt een bosgebied.

In de navolgende afbeelding is de ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2017001029-0301_0001.png"
Afbeelding - Globale ligging plangebied

1.3 Geldende planologische situatie

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied', dat is vastgesteld op 21 mei 2012 en op 8 september 2014 is herzien. Het ontwerp van een tweede herziening van het bestemmingsplan 'Buitengebied' is op 16 mei 2017 gepubliceerd.

Het terrein waar de geplande hal zal worden gebouwd, heeft in dit bestemmingsplan de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden' en een gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'.

Het bestaande bouwvlak ten noordoosten van deze locatie kent de enkelbestemming 'Bedrijf', een functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - tuin en parkmechanisatie' en een functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - voormalige bedrijfsbebouwing'.

Het plangebied kent daarnaast een gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' en gedeeltelijk de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. Navolgend is een afbeelding weergegeven van het vigerende bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2017001029-0301_0002.png"

Afbeelding - Uitsnede van het plangebied in het geldende bestemmingsplan

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Op het onderhavige perceel is Duteweert Miniwerktuigen gevestigd, een bedrijf dat is gespecialiseerd in compacttractoren en aanbouwwerktuigen. Op het perceel zijn een woning en bedrijfshal gelegen. De bedrijfshal functioneert als showroom en werkplaats. Daarnaast is verharding en een parkeerplaats aanwezig op het perceel. Het woonhuis wordt aan de voor- en achterzijde omgeven door een tuin. Aan de zuidzijde van het perceel, waar de nieuwe opslaghal is voorzien, is een grasveld gelegen. De bestaande bedrijfshal en het beoogde plangebied zijn gescheiden middels een haag.

In navolgende afbeelding is de huidige situatie in het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2017001029-0301_0003.png"

Afbeelding - Huidige situatie ter plaatse van het plangebied

2.2 Nieuwe situatie

De initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe opslaghal te bouwen, om de capaciteit voor het opslaan van tractoren en werktuigen te vergroten. Zo wordt voorkomen dat op een andere locatie tractoren en werktuigen opgeslagen moeten worden.

Ten behoeve van de ontwikkeling is een ontwerpplan KGO (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) opgesteld. In dit plan wordt uitgegaan van de bouw van een schuur van 28,5 meter lang en 14 meter breed. Ten zuiden van de nieuwe opslaghal wordt een houtsingel aangelegd, die aansluit bij de bestaande beplanting aan de oostzijde van het perceel. Het te beplanten oppervlakte is in totaal 335 m². Er wordt uitgegaan van het planten van de inlandse eik en berken, vijf soorten inheemse struiken voor onderbegroeiing en 3 soorten verrijkingssortiment voor extra diervoedsel. In Bijlage 1 van de toelichting is het ontwerpplan opgenomen.

Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in het uitbreiden van het bouwvlak met de bestemming 'Bedrijf' om deze voorgenomen ontwikkeling mogelijk te kunnen maken.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte bevat de visie van het Rijk op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Het Rijk streeft naar een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. In 2012 is deze visie officieel in werking getreden. In deze structuurvisie schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028. Daarbij is aangegeven welke nationale belangen aan de orde zijn. De tijdshorizon is gesteld omdat in de loop van de tijd nieuwe ontwikkelingen en opgaven kunnen vragen om bijstelling van de rijksdoelen. Voor de ambities zijn rijksinvesteringen slechts één van de instrumenten die worden ingezet. Kennis, bestuurlijke afspraken en kaders kunnen ook worden ingezet. De huidige financiële rijkskaders (begroting) zijn randvoorwaardelijk voor de concrete invulling van die rijksambities. De ruimtelijke waarden die het nationaal belang waarborgen zijn opgenomen in 13 verschillende belangen. In de structuurvisie wordt ook aangegeven op welke wijze het Rijk deze belangen wil verwezenlijken. Dit zorgt voor een duidelijk overzicht in één document gezamenlijk met de doelen die het Rijk heeft opgesteld.

Ladder voor duurzame verstedelijking
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze verplichte toetsing is verder vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De Ladder houdt in dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor de onderliggende vraag in de regio, de beschikbare ruimte binnen het bestaande stedelijke gebied en een multimodale ontsluiting. Per 1 juli 2017 treedt een wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking in werking.

De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing als er sprake is van een nieuwe ’stedelijke ontwikkeling’ als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Het onderhavige bestemmingsplan heeft betrekking op een zeer kleinschalige ontwikkeling, in de vorm van het uitbreiden van een bestaand bouwvlak om de bouw van een opslaghal van 400 m² mogelijk te maken. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing.

Het onderhavige plan is niet in strijd met de nationale belangen die in de SVIR worden genoemd.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Kern van de Wro is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vóóraf kenbaar maken en aangeven langs welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het rijk en provincies houden zich bezig met datgene wat van nationaal respectievelijk van provinciaal belang is. Ook moeten rijk en provincies duidelijk maken of de borging van een belang gevolgen heeft voor ruimtelijke besluitvorming door provincies en gemeenten.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 22 augustus 2011 vastgesteld en heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. De AMvB is het inhoudelijke beleidskader van het rijk waaraan bestemmingsplannen van gemeenten moeten voldoen. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in het Natuurnetwerk Nederland, of met het vrijwaren van functies.

Niet alle nationale ruimtelijke belangen staan in het Barro. Het besluit bevat alleen die nationale ruimtelijke belangen, die via het stellen van regels aan de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen (of daarmee vergelijkbare besluiten) beschermd kunnen worden.

Het onderhavige plan is niet in strijd met het Barro.

3.1.3 Waterbeleid van de 21ste eeuw

Door het toenemend hoogwater in rivieren, wateroverlast, een versnelde stijging van de zeespiegel en groeiende behoefte aan schoon drinkwater is het Waterbeleid 21e eeuw vormgegeven. Het oude systeem van waterbeheer waarbij de nadruk werd gelegd het scheiden en gescheiden houden van land en water is niet in staat om toekomstige ontwikkelingen op te vangen. Om Nederland de komende eeuwen veilig, leefbaar en aantrekkelijk te houden is een omslag in het waterbeleid en denken over water noodzakelijk. Samengevat komt het er op neer dat water weer de ruimte moet krijgen in plaats van worden ontnomen. Daarbij wordt de strategie gevoerd van vasthouden, bergen en tenslotte afvoeren. Dit principe gaat ervan uit dat een overvloed aan water allereerst wordt opgevangen waar deze ontstaat. Water wordt hierbij niet meer zo snel mogelijk afgevoerd, maar zolang mogelijk vastgehouden. Wanneer vasthouden niet meer mogelijk is, zal dit geborgen word en in daarvoor toegewezen gebieden. Door het water zo lang mogelijk vast te houden wordt tevens verdroging voorkomen. Zo wordt het watertekort bestreden. Pas als het niet anders kan, wordt het water afgevoerd.

In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op het aspect water.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

3.2.1 Omgevingsvisie en -verordening Overijssel

De 'Omgevingsvisie Overijssel 2017. Beken kleur' is op 12 april 2017 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze is sinds 1 mei 2017 van kracht. De Omgevingsvisie Overijssel is de provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel en heeft een wettelijke basis in het omgevingsrecht (straks: de Omgevingswet). In de omgevingsvisie worden onderwerpen beschreven als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaal-economische ontwikkeling van Overijssel.

De focus in de omgevingsvisie ligt op de thema's 'klimaat', 'energie' en 'regionale economie.'

  • Klimaat
    Opgaven en kansen:
    • 1. Overijssel met zijn rivierdelta en hoge gronden staat voor een grote opgave voor voldoende waterveiligheid, bescherming tegen wateroverlast en, in tijden van droogte, een goede zoetwatervoorziening (kwantitatief en kwalitatief). In het landelijke Deltaprogramma zijn voorkeursstrategieën opgenomen die zorgen voor bescherming tegen overstromingen en voor voldoende zoetwater, nu en in de toekomst. Voor een goede ruimtelijke vertaling van de wateropgaven en ‘verbinding’ met andere regionale opgaven, ruimtelijke kwaliteit en het creëren van maatschappelijke meerwaarde is stevige provinciale regie nodig.
    • 2. Stedelijke herstructurering en transformatie bieden kansen om in de stad ruimte te maken voor wateropvang en groen, en zo wateroverlast, hittestress en de gevolgen van overstromingen te beperken. Dat geeft tegelijk kansen om de kwaliteit en veiligheid van de woonomgeving te verbeteren.
  • Energie en milieu
    Opgaven en kansen:
    • 1. Er is een transitie noodzakelijk naar (vooral ook) decentrale opwekking van hernieuwbare energie, hergebruik van grondstoffen en energie-efficiëntie. De provincie speelt een belangrijke rol bij de ruimtelijke keuzen die samenhangen met de opwekking van hernieuwbare energie en het bij elkaar brengen van partijen.
    • 2. Herstructurerings- en transformatieopgaven kunnen hand in hand gaan met energieopgaven en kansen bieden voor het zuinig(er) en zorgvuldiger gebruik van energie en grondstoffen.
    • 3. Transitie naar een duurzame agrarische bedrijfsvoering, met – in antwoord op de veranderde eisen van consumenten en direct omwonenden – bijzondere aandacht voor volksgezondheid, dierenwelzijn en zorg voor het milieu (onder andere door ketenoptimalisatie). Dit biedt kansen om de concurrentiepositie van de agro- en foodsector – en daarmee de toegevoegde waarde voor de regionale economie – te versterken.
    • 4. Energiebesparing en CO2-reductie in het openbaar vervoer, onder andere door zero emissie busvervoer.
  • Regionale economie
    Opgaven en kansen:
    • 1. Stimulering van de economie en zorg voor werkgelegenheid is een belangrijke opgave. Overijssel heeft een goede uitgangspositie in de nationale topsectoren hightech, chemie, energie, agro&food en life sciences/health. En in de regionale sectoren: vrijetijdseconomie en de bouw. Verder liggen er kansen voor de logistieke sector: Overijssel heeft qua ligging, infrastructuur, ondernemerschap en kennis belangrijke troeven in handen om een sterkere positie in te nemen in het (inter)nationale logistieke netwerk. Dit biedt mogelijkheden voor nieuwe werkgelegenheid voor zowel laag, middelbaar als hoog opgeleiden.
    • 2. Herstel van de balans tussen vraag en aanbod van woon- en werklocaties (zowel kwantitatief als kwalitatief) is een belangrijke opgave. Daarnaast noodzaakt afname van de ruimtedruk tot het kwalitatief op peil houden en herstructurering van bestaand stedelijk gebied. Regionaal is een stimuleringsbeleid en een actieve (re)programmering op bovenlokale ontwikkelingen voor woningbouw en werklocaties (bedrijventerreinen, kantorenlocaties en detailhandel) noodzakelijk. Het feit dat in Overijssel krimp en groei naast elkaar bestaan, vraagt om specifiek maatwerk dat rekening houdt met deze verschillen.
    • 3. De verminderde financiële armslag betekent dat we steeds vaker een afweging moeten maken tussen het maatschappelijk belang van een bepaalde voorziening en financiële overwegingen (zoals rendabele voorzieningen op een bepaald schaalniveau). De instandhouding van een goed netwerk van (betaalbaar) openbaar vervoer is bijvoorbeeld een grote uitdaging.

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities van e provincie, gebruiken we het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen 'of', 'waar' en 'hoe' centraal.

  • Of – generieke beleidskeuzes
    Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen van de provincie. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidkeuzes van EU, Rijk of provincie.
  • Waar – ontwikkelingsperspectieven
    Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de visie op de toekomst van Overijssel worden zes ontwikkelingsperspectieven onderscheiden. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn.
  • Hoe – gebiedskenmerken
    Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype verstaan die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype.

Of - Generieke beleidskeuzes  

Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidkeuzes van Europa, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen.

Natuurnetwerk Nederland
Het onderhavige plangebied is direct naast een gebied gelegen dat onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. In onderstaande afbeelding is dit weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2017001029-0301_0004.png"

Afbeelding - Ligging plangebied ten opzichte van NNN-gebied

De ligging van het plangebied naast een Natuurnetwerk Nederland-gebied vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

Waar - ontwikkelingsperspectieven

Ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving
In de Groene Omgeving gaat het wat de provincie betreft vooral om: behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie.

Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
Voor alle nieuwe en grootschalige ontwikkelingen in het buitengebied geldt dat een goede ruimtelijke inpassing verplicht is. Naast deze basisinspanning kan het zijn dat er aanvullende kwaliteitsprestaties nodig zijn. Voor het bepalen van de mate van aanvullende kwaliteitsprestaties gelden drie variabelen:

  • 1. Is de ontwikkeling ‘gebiedseigen’ of ‘gebiedsvreemd?’;
  • 2. Wat is de schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving?; en
  • 3. Dient het initiatief een eigen belang, of ook maatschappelijke belangen?

Hulpmiddel bij toepassing in de praktijk is het Werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving dat samen met gemeenten is opgesteld. Het werkboek geeft antwoord op vragen als ‘Voor welke ontwikkelingen geldt het?’ en ‘Hoe bepaal je de balans?’. De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) is opgenomen in de provinciale verordening.

In de Groene Omgeving worden drie ontwikkelingsperspectieven onderscheiden, ieder met een eigen accent:

  • de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW)
  • agrarisch ondernemen in het grootschalige landschap
  • wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap

Zoals in navolgende afbeelding is weergegeven, valt het onderhavige plangebied in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2017001029-0301_0005.png"

Afbeelding - Uitsnede Ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'

Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' de ambitie 'Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen' voorop. Daarnaast gelden – net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven – de ruimtelijke kwaliteitsambities:

  • zichtbaar en beleefbaar mooi landschap;
  • sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel;
  • continu en beleefbaar watersysteem.

Binnen de onderhavige ontwikkeling wordt, zoals reeds in paragraaf 2.2 is beschreven, een houtsingel langs de nieuwe opslaghal aangelegd om zorg te dragen voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing.

Gebiedskenmerken - Hoe
Nieuwe ruimtelijke opgaven worden verbonden met bestaande gebiedskenmerken. De gebiedskenmerken spelen zo een belangrijke rol bij de vraag hoe een initiatief invulling kan krijgen. Onder gebiedskenmerken verstaan we de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype.

De gebiedskenmerken worden onderscheiden in vier lagen:

  • de natuurlijke laag
  • de laag van het agrarisch cultuurlandschap
  • de stedelijke laag
  • de laag van de beleving


Gebiedskenmerken Natuurlijke laag
De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt.

De ruimtelijke kwaliteitsambities in de natuurlijke laag zijn:

  • natuur als ruggengraat: de ontwikkeling van een robuust, aaneengesloten natuurlijk landschap
  • een continu en beleefbaar watersysteem als dragende structuur van Overijssel

Het (beter) afstemmen van locatiekeuzen en inrichtingsopgaven op de natuurlijke laag is een duurzame strategie. Het betekent onder andere:

  • het behoud van kwaliteiten van de natuurlijke laag, zoals aardkundige waarden en natuurlijk reliëf
  • het intact laten of versterken van de veerkracht van het watersysteem en daarmee anticiperen op klimaatverandering
  • het voorkomen dat locatiekeuzen leiden tot wateroverlast (bijvoorbeeld door te bouwen op de hooggelegen droge delen in het landschap)
  • het behouden en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit)

In de natuurlijke laag worden verschillende gebiedstypen onderscheiden. Het plangebied valt binnen het gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie navolgende afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2017001029-0301_0006.png"

Afbeelding - Uitsnede plangebied binnen de 'natuurlijke laag'

De afwisseling van opgewaaide ruggen en uitgesleten beekdalen en de daarbij horende hoogteverschillen kenmerken de dekzandvlaktes van Overijssel. Opvallend is de overwegend oost-west georiënteerde richting van ruggen en dalen.

De onderhavige ontwikkeling is niet in strijd met het gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen'.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap
De laag van het agrarisch cultuurlandschap beschrijft het palet van agrarische cultuurlandschappen met hun dragende structuren en nederzettingsvormen. Deze laag is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden – en worden – gebracht. Door de eeuwen heen is een geschakeerd patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen en dorpen) gegroeid. Vanouds kennen de nederzettingen een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omliggende landschap.

De ruimtelijke kwaliteitsambitie in de laag van het agrarisch cultuurlandschap is:

  • Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen; het palet van agrarische cultuurlandschappen versterken en contrasten tussen de landschappen behouden en ontwikkelen


Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Oude hoevenlandschap'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2017001029-0301_0007.png"

Afbeelding - Uitsnede plangebied in de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'

Het oude hoevenlandschap heeft in essentie hetzelfde patroon en dezelfde kwaliteiten als het essenlandschap, maar is jonger, ontstaan op een kleinschaliger patroon in de ondergrond (kleine dekzandkopjes), opgebouwd vanuit individuele erven en daardoor kleiner van schaal.

De onderhavige ontwikkeling is niet in strijd met het gebiedstype 'Oude Hoevenlandschap'.

Stedelijke laag
Deze laag is niet van toepassing voor het plangebied.

Laag van de beleving
Het plangebied is aangeduid als onderdeel van de 'IJssellinie inundatieveld'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2017001029-0301_0008.png"

Afbeelding - Uitsnede plangebied in de 'Laag van de beleving'

In de gebiedskenmerken is dit gebied één van de bakens in de tijd en geldt er een cultuurhistorische ambitie. Het creëren van verbindingen en verbanden tussen bestaande bakens die onderdeel van een groter geheel zijn, maar nu verloren of geïsoleerd in het landschap liggen is een onderdeel van die ambitie. Ook is het mogelijk bakens van deze tijd toe te voegen. Cultuurhistorische waarden dienen behouden te worden door ze bewust in te zetten in gebiedsopgaves.

De onderhavige ontwikkeling is niet in strijd met de ligging van het plangebied binnen de 'IJssellinie inundatieveld'.

3.2.2 Conclusie provinciaal beleid

De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling past binnen het provinciale beleid, zoals ook vastgelegd in de provinciale verordening. De ontwikkeling past binnen de kaders van het KGO-beleid en binnen de geldende ontwikkelingsperspectieven. Daarnaast is het plan uitgewerkt op basis van de gebiedskenmerken.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Toekomstvisie Olst-Wijhe

Op 22 juni 2009 heeft de gemeenteraad de Toekomstvisie Olst-Wijhe vastgesteld, inclusief het bijbehorende Realisatiehoofdstuk, als zijnde de Structuurvisie ex artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Op 12 december 2011 heeft de gemeenteraad daarnaast de actualisatie Toekomstvisie Olst Wijhe, inclusief het Realisatiehoofdstuk in combinatie met de bijstelling van de Nota Bovenwijkse Voorzieningen vastgesteld.

De in deze visie genoemde kernpunten van het profiel voor Olst-Wijhe zijn:

  • 1. Inzetten op de lokale samenleving: overzichtelijk, met betrokkenheid, een bloeiend verenigingsleven en ontplooiingskansen voor iedereen.
  • 2. Behouden en waar mogelijk versterken van het brede voorzieningenpakket: van detailhandel, scholen, sport, zorg tot cultuur. Extra woningbouw als motor voor dit streven.
  • 3. Een brede economische structuur met de focus op de lokale economie met voldoende werkgelegenheid en oog voor verbreding, innovatie en ondernemerschap.
  • 4. Versterken van het landschap, de diversiteit en de grote potentie die het landschap en haar natuurwaarden hebben als vestigingsplaatsfactor (wonen) en voor recreatie en toerisme. Het watersysteem en de natuur vormen de duurzame dragers.
  • 5. Vitaliteit van het landelijk gebied door in te zetten op een brede, kwalitatieve landbouw en nieuwe economische dragers in het buitengebied.

Economische structuur
De gemeente streeft naar een brede economische structuur met een focus op het behoud en de versterking van de lokale werkgelegenheid met oog voor verbreding, innovatie en ondernemerschap. De bedrijvigheid moet passen binnen het gekozen profiel van Olst-Wijhe en de (landschappelijke) kwaliteiten van de gemeente.

Het voorliggende bestemmingsplan sluit goed aan op de Toekomstvisie Olst-Wijhe.

3.3.2 Structuurvisie Olst-Wijhe (2017)

De structuurvisie Olst-Wijhe wordt waarschijnlijk in het najaar van 2017 vastgesteld. De structuurvisie Olst-Wijhe beschrijft in hoofdlijnen de gewenste ruimtelijke ontwikkeling voor onze gemeente voor de komende jaren. De visie beschrijft de aard van de gemeente (de identiteit), de ontwikkelingen die spelen, de ambities en de manier waarop die gerealiseerd kunnen worden. Voor deze visie is de gemeente ingedeeld in vier gebieden:

  • Sterke dorpen
  • Prachtige IJsselzone
  • Lommerrijke landgoederen
  • Sallandse platteland.

Het uitgangspunt is het behouden en versterken van de identiteit. De visie is een handleiding voor èn een uitnodiging aan inwoners en organisaties om nieuwe ontwikkelingen te realiseren. Ontwikkelingen die bijdragen aan de versterking van de identiteit en kwaliteit van de leefomgeving en het landschap.

De hoofdpunten uit de visie zijn:

  • 1. Aantrekkelijk en veilig wonen voor jong en oud met passende toekomstbestendige maatschappelijke voorzieningen en mogelijkheden om te werken in en om de dorpen en buurtschappen.
  • 2. Evenwicht tussen leefkwaliteit, bereikbaarheid en mobiliteit.
  • 3. Vrijetijdsbesteding als impuls voor de lokale economie met de aantrekkelijke IJsselzone en ‘IJsselfront Olst-Wijhe’ als integrale gebiedsontwikkeling.
  • 4. Versterken van toekomstbestendige landbouw en landgoederen.
  • 5. Inzetten op het duurzaam vormgeven van nieuwe ontwikkelingen, op duurzame energie en energiebesparing in het kader van de energietransitie.
  • 6. Samenwerken aan circulaire economie, aan vestigingsmogelijkheden voor lokale ondernemers en daar waar mogelijk innovatie bevorderen.

Werken en bedrijvigheid
De bedrijven, gevestigd in Olst-Wijhe, zijn belangrijk voor de lokale werkgelegenheid. Het huidige beleid houdt in dat er wordt meegedacht met bedrijven die een betere bedrijfsvoering willen realiseren. De gemeente faciliteert de bedrijven die werken aan de onderlinge contacten en nieuwe manieren van samenwerking.

In het voorliggende bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om een nieuwe opslaghal te bouwen, zodat een bestaand bedrijf in de gemeente Olst-Wijhe kan voorzien in een toegenomen vraag naar opslagruimte. Het voorliggende bestemmingsplan sluit goed aan op de Structuurvisie Olst-Wijhe 2017.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Archeologie

Archeologische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het verdrag van Malta en de wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk terplekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn.

De gemeente Olst- Wijhe heeft op 4 oktober 2010 de beleidsnota Archeologie vastgesteld. In de beleidsnota is bepaald welke gebieden lage en welke gebieden hoge archeologische waarden hebben. Dit is weergegeven op kaart. Op basis van regels kan vervolgens worden afgeleid of voor ruimtelijke ontwikkelingen wel of geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De beleidsnota bepaalt het volgende voor buitengebieden:

  • Er geldt een onderzoeksplicht in gebieden met een hoge archeologische verwachting bij plangebieden groter dan 2.500 m² en bij een verstoring dieper dan 50 cm;
  • Er geldt een onderzoeksplicht in gebieden met een middelhoge archeologische verwachting bij plangebieden groter dan 5.000 m² en bij een verstoring dieper dan 50 cm;
  • Er geldt een onderzoeksplicht in gebieden met een lage archeologische verwachting bij plangebieden groter dan 10 ha;
  • Bij terreinen waarvan de archeologische waarde bekend is (AMK-terreinen), is het beleid behoud in situ en geldt altijd een onderzoeksplicht.

Onderhavige ontwikkeling
In navolgende afbeelding is de locatie van het plangebied binnen de archeologische verwachtingenkaart van Olst-Wijhe weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2017001029-0301_0009.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2017001029-0301_0010.png"

Afbeelding - Uitsnede archeologische verwachtingenkaart Olst-Wijhe

In het plangebied geldt grotendeels een middelhoge archeologische verwachting. Voor dit terrein is in het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' opgenomen. In het voorliggende bestemmingsplan wordt deze dubbelbestemming wederom opgenomen. Hiermee wordt geborgd dat bij plangebieden groter dan 5.000 m² en bij een verstoring dieper dan 50 cm archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd.

Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

4.2 Bodem

In het kader van de bouwvergunning zal aangetoond moeten worden dat er geen sprake is van bodemverontreiniging op de locatie waar de nieuwe opslaghal is voorzien. In kader van het voorliggende bestemmingsplan vormt het aspect geen belemmering.

Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.

4.3 Geluid

Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Ook is geluid van invloed op het welbevinden van mensen. Hierdoor komt het aspect geluid in veel verschillende wetten (met elk hun eigen reikwijdte) voor. Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige functies.

Onderhavige ontwikkeling
Het onderhavige bestemmingsplan heeft betrekking op het mogelijk maken van een nieuwe opslaghal van een bestaand bedrijf. Er worden geen geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt en in de huidige situatie zijn op het onderhavige perceel geen geluidsgevoelige objecten aanwezig.

Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.

4.4 Luchtkwaliteit

Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor projecten die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Onderhavige ontwikkeling
In het voorliggende bestemmingsplan wordt het bouwvlak uitgebreid om de bouw van een opslaghal van 400 m² mogelijk te maken. Deze ontwikkeling valt ruim onder de hiervoor vermelde drempel, wat inhoudt dat het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.

4.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen).

Onderhavige ontwikkeling
In de navolgende afbeelding is een uitsnede van de risicokaart ter plaatse van het onderhavige perceel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2017001029-0301_0011.png"

Afbeelding - Uitsnede risicokaart onderhavige perceel (bron: www.risicokaart.nl)

Inrichtingen
Ten zuidoosten van het plangebied is een propaangastank van 3300 liter gelegen. Deze inrichting ligt op circa 750 meter afstand ten opzichte van het plangebied en vormt daarmee geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

Transportroutes
Er zijn geen transportroutes in de nabije omgeving van het plangebied gelegen.

Buisleidingen
In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen die op basis van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan.

4.6 Bedrijven en milieuzonering

Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Voor het beoordelen van de richtafstanden tussne milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies anderzijds is aangesloten bij de publicatie Bedrijven en Milieuzonering 2009 van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). De VNG-publicatie is een algemeen geaccepteerd instrument om na te gaan of er sprake is van een goede ruimtelijk ordening in situaties waar woningen dicht bij bedrijven worden voorzien.

Onderhavige ontwikkeling
De onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op het uitbreiden van een bestaand bedrijf. De uitbreiding vindt plaats aan de zuidwestzijde van het bestaande bouwvlak. De dichtstbijzijnde woningen ten opzichte van het plangebied zijn direct ten oosten van het bestaande bouwvlak en op 50 meter ten noorden van het bestaande bouwvlak gelegen. Voor beide woningen geldt dat de locatie van de nieuwe opslaghal op ruimere afstand van deze woningen is gelegen dan de huidige bedrijfslocatie.

Op ruim 220 meter ten zuiden van het plangebied is een woning gelegen, die dichter bij het bedrijf komt te liggen nu het bouwvlak aan de zuidwestzijde wordt uitgebreid. De afstand tot het plangebied van deze woning is echter nog dusdanig, dat deze woning geen belemmering vormt voor de geplande ontwikkeling.

Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

4.7 Natuur en ecologie

De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt sinds 1 januari 2017 de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De basis wordt gevormd door de zorgplicht (artikel 1.11) waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

Onderhavige ontwikkeling
Alcedo natuurprojecten heeft een Ecologische Quickscan uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Deze Quickscan is opgenomen in Bijlage 2. Hieruit zijn de volgende conlusies en aanbevelingen naar voren gekomen.

Natuur Netwerk Nederland (NNN) en Natura 2000 (N2000)
De onderzochte locatie ligt niet binnen het NNN, maar grenst er wel direct aan. De voorgenomen plannen zullen echter op geen enkele wijze van invloed zijn op het NNN. De dichtstbijzijnde grens met een Natura 2000 gebied (Rijntakken) ligt op circa 4.10 kilometer afstand van de onderzochte locatie. De voorgenomen plannen zullen echter op geen enkele wijze van invloed zijn op dit Natura 200 gebied.

Conclusies en aanbevelingen
Op basis van deze QuickScan kan het volgende worden geconcludeerd:

  • Op de onderzochte locatie is het voorkomen van middels de Wnb beschermde diersoorten niet aangetoond;
  • Er zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels aangetroffen;
  • Het is niet aangetoond dat de bouwlocatie van groot belang is als foerageergebied voor vogels, zoogdieren of andere diersoorten;
  • Er zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde diersoorten aangetroffen;
  • De onderzochte locatie biedt mogelijk incidenteel een plek aan foeragerende of migrerende vleermuizen, maar functioneert niet als vaste rust- en verblijfplaats of als voortplantingslocatie voor deze soortgroep;
  • Soortgericht onderzoek ter plaatse (vleermuizen, vogels) is niet noodzakelijk;
  • Er behoeft geen ontheffing in het kader van de Wnb te worden aangevraagd;

Op basis van deze QuickScan wordt het volgende geadviseerd:

  • Wanneer de plannen worden uitgevoerd zoals aangegeven op het ontwerp van Groenadviesbureau Ten Have, is de verwachting dat de biodiversiteit ter plekke toe zal nemen. Houdt u aan dit plan;
  • Om dit plan nog meer gestalte te geven wordt aanbevolen om de nieuwbouw te voorzien van enkele broedkasten voor huismus, witte kwikstaart, gekraagde roodstaart en zwarte roodstaart;
  • Ook het plaatsen van enkele vleermuiskasten aan de buitenzijde van de nieuwbouw is aan te bevelen;
  • Voor advies ten aanzien van deze voorzieningen: www.vivarapro.com

Conclusie
Naar verwachting zijn deze fysieke ingrepen van dusdanig beperkte aard dat deze geen of zeer beperkt effect hebben op de aanwezige natuurwaarden. Het aspect natuur en ecologie vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

4.8 Water

Algemeen
Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.

Onderhavige ontwikkeling
Op 20 juni 2016 is de digitale watertoets doorlopen voor de onderhavige ontwikkeling. Hiermee is het Waterschap Drents Overijsselse Delta op de hoogte gebracht van het plan. Er is sprake van een waterbelang. Voor dit plan moet de normale procedure voor de watertoets doorlopen worden.

Wateradvies
Op 26 juni 2017 heeft het Waterschap Drents Overijsselse Delta een advies uitgebracht. Navolgend wordt hier op ingegaan.

Relevant beleid
Het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021, de beleidsnota Water Raakt!, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050, Beleid Beheer en Onderhoud Stedelijk water 2013-2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De genoemde beleidsdocumenten kunnen worden ingezien op het hoofdkantoor van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ook zijn deze te raadplegen op de internetsite: www.wdodelta.nl. Op gemeentelijk niveau is het in overleg met het waterschap opgestelde gemeentelijk Waterplan en het (verbreed) gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van belang.

Invloed op de waterhuishouding
Het plangebied bevindt zich binnen een Grondwaterbeschermingsgebied (drinkwater).

Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en het maaiveld. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om een goed inzicht te krijgen in het grondwatersysteem wordt geadviseerd om in overleg met het waterschap zo spoedig mogelijk te starten met een grondwateronderzoek. Dit kan in eerste instantie op basis van bestaande peilbuizen binnen of in de omgeving van het plangebied. Indien noodzakelijk kunnen nieuwe peilbuizen worden geplaatst.

Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 20 à 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast door onder andere te voorkomen dat afstromend hemelwater vanaf het straatoppervlak naar binnen kan stromen. Bij de aanleg van kelderconstructies dient aandacht te worden geschonken aan de toepassing van waterdichte materialen en constructies.

Het plangebied of een gedeelte daarvan ligt in een grondwaterbeschermingsgebied of intrekgebied van een drinkwaterwinning
Het plangebied of een gedeelte daarvan ligt in een grondwaterbeschermingsgebied of intrekgebied van een drinkwaterwinning. In deze gebieden is het beleid gericht op het verminderen van de risico's op verontreiniging van het grondwater. Drinkwatervriendelijke functies worden gestimuleerd en voor de overige functies wordt een restrictief beleid gevoerd. Het provinciale grondwaterbeschermingsbeleid voor de drinkwaterwinning is verwoord in de Omgevingsvisie Overijssel 2009. De regels omtrent grondwaterbescherming zijn verwerkt in de Omgevingsverordening Overijssel 2009. Voor meer informatie kan worden gekeken op de internetsite van de provincie Overijssel: http://www.overijssel.nl/thema's/water/watergebruik-0/item-125728/

Het plan bevat een rioleringscomponent, want door het plan neemt het afvalwaterdebiet in het bestaande gemengde- of vuilwaterstelsel toe. Door de uitvoering van het bestemmingsplan neemt de belasting van het bestaande rioleringsstelsel toe. Dit levert geen problemen op ten aanzien van de capaciteit van het rioleringsstelsel en de capaciteit van de rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Voorkeursbeleid hemel- en afvalwater
Bij de afvoer van overtollig hemelwater is het landelijk beleid dat het afstromend hemelwater ter plaatse in het milieu moet worden gebracht, dat wil zeggen lozen in de bodem (infiltratie) of in het oppervlaktewater. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te het infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's geniet daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen.

In de onderhavige situatie wordt het hemelwater vanaf het nieuwe oppervlak afgevoerd naar een infiltratiesloot met een inhoud van 30 m³.

Watertoetsproces
De initiatiefnemer heeft het Waterschap Drents Overijsselse Delta geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van http://www.dewatertoets.nl . De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. Zodra de waterparagraaf van het bestemmingsplan of Omgevingsvergunning, waarin dit Wateradvies is verwerkt, is voorgelegd kan bepaald worden of de procedure in het kader van de watertoets goed is doorlopen. Waterschap Drents Overijsselse Delta kan dan een positief wateradvies geven.

4.9 Overstromingsrisico's

Op de Risicokaart van de provincie Overijssel is aangegeven dat het plangebied een kleine kans heeft op overstromingen. Het plangebied is aangeduid als 'potentieel overstroombaar gebied' (kleine kans).

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2017001029-0301_0012.png"

Afbeelding - Overstromingsrisico's (bron: www.risicokaart)

Dit dijkringgebied loopt een risico op overstroming als resultaat van haar situering in de lage delen van Overijssel en haar ligging ten opzichte van de primaire waterkering van de IJssel. Als gevolg van klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. De dijkringgebieden zijn vastgelegd in de nieuwe waterkaart. Voor dergelijke gebieden is het risico inzichtelijk gemaakt voor overstroming bij een doorbraak van de dijk. De gevolgen van een overstroming zijn bepaald door inzicht te geven in de maximale waterdiepte tijdens een overstroming en de snelheid waarmee een gebied overstroomt. Voor het plangebied is de maximale waterdiepte tijdens een overstroming in de huidige situatie ingeschat op 0,8 à 2 m (overstromingsdiepte; water boven maaiveld).

De wettelijke norm voor de dijkring is een overschrijdingskans van 1:1.250 per jaar. Het overstromingswater zal doorgaans de weg van de minste weerstand volgen en derhalve zullen eerst de laaggelegen gebieden onder water lopen. Afhankelijk van hoe snel het water kan worden afgevoerd kan in het plangebied overstroming plaatsvinden.

Voor het plangebied is het van belang dat nagedacht wordt over voorzieningen die de risico's kunnen beperken. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen de dijkringen is het gewenst dat tijdig wordt nagedacht over voorzieningen dan wel maatregelen die kunnen worden getroffen waarbij eventuele risico's en nadelige effecten van een overstroming kunnen worden beperkt. Het betreft ook een stuk bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Bij de ontwikkeling van het plangebied dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en).

Voor nieuwe ontwikkelingen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan navolgende voorzieningen/ maatregelen:

  • aanvullend ophogen (voor zover mogelijk) van het plangebied;
  • voldoende hoog aanbrengen vloerpeil, eventueel verhoogde drempels;
  • aansluiting plangebied op dichtstbijzijnde weg, zodat bereikbaarheid gewaarborgd blijft;
  • zodanig inrichten gebouw zodat bij eventuele overstromingen schade zoveel mogelijk wordt beperkt (bijv. materiaalgebruik, minder gevoelige ruimten begane grond);
  • opstellen van evacuatie plan;
  • belangrijke functies dan wel belangrijke apparatuur (bijv. generator e.d.) verhoogd of op eerste verdieping situeren.

Uitwerking en toepasbaarheid van deze mogelijkheden dienen nader te worden uitgewerkt bij bijvoorbeeld het waterhuishoudkundig ontwerp.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan moet aangetoond worden. Een van de manieren om dit te achterhalen is het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure. Tijdens deze procedure zijn verschillende momenten aanwezig waarop instanties, omwonenden en anderen een reactie kunnen geven op het bestemmingsplan. Daarbij gaat het achtereenvolgens om overleg, zienswijzen en beroep. Wanneer nodig wordt het bestemmingsplan aangepast op grond van ingediende reacties.

5.1.1 Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 6 juli 2017 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn heeft een ieder de mogelijkheid gehad om schriftelijk dan wel mondeling een zienswijze naar voren te brengen. Gedurende deze termijn zijn er geen zienswijzen ingediend.

Wel is het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld, in verband met ambtshalve wijzigingen. Deze hebben betrekking op het vergroten van het bestemmingsvlak met de bestemming 'Bedrijf' en het toevoegen van een voorwaardelijke verplichting, waardoor de nieuw te bouwen opslaghal pas in gebruik genomen mag worden op het moment dat volledige uitvoering is gegeven aan het Ontwerpplan KGO impuls.

Voor de inhoud van de wijzigingen wordt verwezen naar de Nota ambtshalve wijzigingen, die als bijlage bij dit bestemmingsplan is opgenomen.

5.1.2 Vaststelling

Het bestemmingsplan is vastgesteld op 25 september 2017, gezamenlijk met de ambtshalve wijzigingen. Het Vaststellingsbesluit is opgenomen als bijlage van dit bestemmingsplan.

5.2 Economische uitvoerbaarheid

In beginsel is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In een exploitatieplan wordt opgenomen welke kosten met de uitvoering van het bouwplan gemoeid zijn en wie welke kosten voor zijn of haar rekening gaat nemen. Dit is opgenomen in artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening. Deze verplichting geldt niet als het 'verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd zijn', aldus lid 2 van dit artikel. In onderhavig geval zijn de kosten anderszins verzekerd.

Het plan betreft een initiatief van een bedrijf waarmee geen gemeentelijke investeringen zijn gemoeid. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin onder andere afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Alle kosten voor de te voeren planologische procedure, de realisatie van de ontwikkeling en eventuele toegekende planschadecompensatie als gevolg van de ontwikkeling, komen voor rekening van de initiatiefnemer.

Hoofdstuk 6 De bestemmingen

6.1 Algemene juridische opzet

Het bestemmingsplan is opgezet als een bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 3.1 Wro. De ruimtelijke indeling van het gebied, alsmede de toegestane functies en maten zijn op de plankaart en in de regels vrij gedetailleerd geregeld. Het is wenselijk dat het bestemmingsplan de mogelijkheid biedt om in te spelen op redelijke en acceptabele veranderingswensen. Daartoe wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de Wro biedt, in de vorm van de daarin opgenomen zogenaamde flexibiliteitbepalingen namelijk de bevoegdheid van burgemeester en wethouders om een afwijking te verlenen (ex artikel 3.6 lid 1 c Wro) en het plan te wijzigen (ex artikel 3.6 lid 1 a Wro). De bedoelde afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden dienen voldoende "objectief" begrensd te zijn. De kwantitatieve omvang/reikwijdte ervan is vaak al in de betreffende regels zelf bepaald.

6.2 Bestemmingen

In het onderhavige bestemmingsplan zijn twee bestemmingen opgenomen: de enkelbestemming 'Bedrijf' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'.

6.2.1 Bedrijf

Voor het gehele plangebied is de enkelbestemming 'Bedrijf' opgenomen. Voor deze bestemming is gebruikgemaakt van een zogenaamde Staat van Bedrijfsactiviteiten. Verwezen wordt naar Bijlage 1 van de planregels.

In zijn algemeenheid worden bedrijfsactiviteiten in categorie 1 en 2 van de SvB ter plaatse van de bestemming 'Bedrijf' toegestaan. Daarnaast geldt voor het hele bouwvlak een aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - tuin- en parkmechanisatie'. Hiermee wordt tevens een bedrijf gericht op tuin- en parkmechanisatie uit categorie 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt. Daarnaast zijn bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen, mogelijk.

Ter plaatse van de nieuw te bouwen opslaghal is een aanduiding 'voorwaardelijke verplichting' opgenomen. Door middel van een voorwaardelijke verplichting is vastgelegd dat de gronden en bouwwerken op deze locatie pas overeenkomstig de bestemming in gebruik mogen worden genomen, nadat uitvoering is gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapmaatregelen conform de in Bijlage 2 opgenomen 'Ontwerpplan KGO impuls'.

Voor bedrijven die de bedrijfsvoering beëindigen is middels een wijzigingsbevoegdheid de mogelijkheid opgenomen voor een vervolgfunctie. Hierbij gelden dezelfde voorwaarden als voor vervolgfuncties bij agrarische bedrijven.

6.2.2 Waarde - Archeologie - 2

Om de archeologische waardevolle gebieden veilig te stellen, gelden er op gronden met de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 2 beperkingen ten aanzien van het bouwen voor de met deze bestemming samenvallende bestemmingen. Bouwen is uitsluitend toegestaan indien uit onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat de waarden voldoende worden veiliggesteld. Daarnaast geldt er een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

De regeling is niet van toepassing op bestaande bouwwerken voor zover ingeval van herbouw gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundamenten. In alle overige gevallen is de regeling van toepassing op het oprichten van nieuwe bebouwing of uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 50 cm met een groter oppervlak dan 5.000 m².

6.3 Algemene regels

6.3.1 Anti-dubbeltelbepaling

Ingevolge het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) dient deze bepaling met deze formulering in de regels van een bestemmingsplan te worden opgenomen. Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van eigenaars verschillen.

6.3.2 Algemene bouwregels

Deze regel dient om maten en percentages die in het verleden legaal zijn gerealiseerd, maar die op het tijdstip van de ontwerp-terinzagelegging van het plan blijken af te wijken van dat plan, als recht in het nieuwe plan toe staan. Zonder deze bepaling zouden die situaties (mogelijk) onder het overgangsrecht gaan vallen en dan niet als recht zijn toegestaan, maar slechts worden gedoogd. Deze bepaling versterkt de rechtszekerheid.

6.3.3 Algemene gebruiksregels

In de algemene gebruiksregel is het gebruik ten behoeve van seksinrichtingen expliciet als strijdig gebruik aangemerkt. In het kader van het gemeentelijk beleid betreffende dergelijke inrichtingen wordt vestiging daarvan in het onderhavige gebied niet wenselijk geacht en daarom ook niet toegestaan.

6.3.4 Algemene aanduidingsregels

Dit artikel is opgenomen voor de reconstructiegebieden. Voor het onderhavige plangebied is de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' van toepassing.

6.3.5 Algemene afwijkingsregels

Er is een afwijkingsregel opgenomen voor de herbouw van (bedrijfs)woningen buiten bestaande fundamenten. Indien aangetoond kan worden dat aan de voorkeursgrenswaarde en de overige voorwaarden wordt voldaan, is herbouw buiten de bestaande fundamenten toegestaan.

6.3.6 Algemene wijzigingsregels

Er is een algemene wijzigingsregel opgenomen voor het verwijderen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. Indien uit nader onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden zijn, kunnen Burgemeester en wethouders deze dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk verwijderen.

6.3.7 Overgangsregels

Ingevolge het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) dienen de overgangsregels met deze formulering in de regels van een bestemmingsplan te worden opgenomen.