direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Het Anem 26
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1773.BP2018001045-0301

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De locatie het Anem 26 omvat een verouderd melkvee bedrijf. Initiatiefnemer heeft dit bedrijf, inclusief gronden, gekocht in 2014. Initiatiefnemer exploiteert een varkenshouderij in Raalte. De gronden behorend bij het bedrijf aan het Anem 26 worden gebruikt ten behoeve van akkerbouw (mais en graanteelt ten behoeve van het varkensbedrijf in Raalte). De initiatiefnemer is voornemens om de aanwezige, sterk verouderde en vervallen bedrijfsgebouwen te slopen en de aanwezige asbest te saneren. Daarnaast wil initiatiefnemer een woning met bijgebouw toevoegen op het perceel en de bestaande boerderij splitsen in maximaal twee wooneenheden. Dit alles met toepassing van de KGO-regeling (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving). In het kader van deze regeling zal de bestemming gewijzigd worden. Ten behoeve van de plannen is door Groenadviesbureau H.A. ten Have een 'Toelichting Landschappelijke inpassing' gemaakt. Deze toelichting is opgenomen als bijlage 1.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan het Anem in de gemeente Olst - Wijhe. De planlocatie ligt in het buitengebied en is omgeven door weilanden en andere (voormalige) boerderijen. Het plangebied ligt ten oosten van de spoorlijn Zwolle - Deventer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2018001045-0301_0001.png"

Afbeelding - Ligging plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Op basis van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Olst- Wijhe heeft het perceel aan het Anem 26 de bestemming 'Agrarisch' met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1', een bouwvlak en de bouwaanduiding 'karakteristiek'. Ook ligt er een gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van het plangebied in het vigerende bestemmingsplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2018001045-0301_0002.png"

Afbeelding - Uitsnede plangebied in het vigerende bestemmingsplan

Hoofdstuk 2 Geplande ontwikkeling

2.1 Huidige situatie

Het erf, ook genoemd de Grote Opberg, is markant gelegen in het landschap.

Op het bouwblok staat een grote karakteristieke boerderij met een schuur, dubbele garage, ligboxenstal en een onderkelderde kuilplaat. De kelder wordt gebruikt voor de opslag van drijfmest. Ook de ligboxenstal is onderkelderd ten behoeve van drijfmestopslag. Achter de boerderij is een fundering van een door brand verwoeste schuur aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2018001045-0301_0003.png"

Afbeelding - de karakteristieke boerderij

Momenteel is de boerderij verhuurd en staan de bedrijfsgebouwen leeg. Er vinden geen agrarische activiteiten meer plaats.

2.2 Nieuwe situatie

Erfinrichtingsplan
Initiatiefnemer is voornemens om de karakteristieke boerderij te splitsten in twee wooneenheden. De leegstaande vervallen opstallen worden gesloopt en ter compensatie wordt er een nieuwe woning gebouwd. Totaal zal er 931m2 inclusief kelder en 671 m2 exclusief kelder aan oppervlak gesloopt worden.

Ten behoeve van de bovenstaande ontwikkeling is er een Toelichting Landschappelijke inpassing en een Erf- en Landschapsplan opgesteld. Deze zijn bijgevoegd als bijlage 1 en 2. Tevens is er een Toelichting ontwerp gemaakt waarin onderstaande impressie van de bestaande karakteristieke boerderij en nieuw te bouwen woning is uitgewerkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2018001045-0301_0004.png"

Afbeelding - Ontwerp nieuwe situatie

Nieuw bestemmingsplan
Om bovenstaande ontwikkeling mogelijk te maken zal de bestemming moeten worden gewijzigd in 'Wonen'. De vigerende dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 1' blijft behouden. Er komt een maatvoering op het bouwvlak voor drie woningen met de aanduiding 'aaneengebouwd'. De 'gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' verdwijnt van het plangebied. De herziening van het bestemmingsplan vindt plaats met toepassing van het KGO beleid, zie hiervoor verder paragraaf 3.1.2.

Hoofdstuk 3 Beleid

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover relevant voor de geplande ontwikkeling, het provinciaal/regionaal en gemeentelijk beleid. Gezien de beperkte onderhavige ontwikkeling wordt niet ingegaan op het rijksbeleid.

Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit bestemmingsplan afgewogen en doorvertaald in de verbeelding en in de regels.

3.1 Provinciaal beleid

3.1.1 Omgevingsvisie Overijssel, beken kleur (2017)

De 'Omgevingsvisie Overijssel 2017, Beken kleur' is op 12 april 2017 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze is sinds 1 mei 2017 van kracht. De Omgevingsvisie Overijssel is de provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel en heeft een wettelijke basis in het omgevingsrecht (straks: de Omgevingswet). In de omgevingsvisie worden onderwerpen beschreven als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaal-economische ontwikkeling van Overijssel.

De focus in de omgevingsvisie ligt op de thema's 'klimaat', 'energie' en 'regionale economie.'

  • Klimaat

Opgaven en kansen:

  • 1. Overijssel met zijn rivierdelta en hoge gronden staat voor een grote opgave voor voldoende waterveiligheid, bescherming tegen wateroverlast en, in tijden van droogte, een goede zoetwatervoorziening (kwantitatief en kwalitatief). In het landelijke Deltaprogramma zijn voorkeursstrategieën opgenomen die zorgen voor bescherming tegen overstromingen en voor voldoende zoetwater, nu en in de toekomst. Voor een goede ruimtelijke vertaling van de wateropgaven en 'verbinding' met andere regionale opgaven, ruimtelijke kwaliteit en het creëren van maatschappelijke meerwaarde is stevige provinciale regie nodig.
  • 2. Stedelijke herstructurering en transformatie bieden kansen om in de stad ruimte te maken voor wateropvang en groen, en zo wateroverlast, hittestress en de gevolgen van overstromingen te beperken. Dat geeft tegelijk kansen om de kwaliteit en veiligheid van de woonomgeving te verbeteren.
  • Energie en milieu

Opgaven en kansen:

  • 1. Er is een transitie noodzakelijk naar (vooral ook) decentrale opwekking van hernieuwbare energie, hergebruik van grondstoffen en energie-efficiëntie. De provincie speelt een belangrijke rol bij de ruimtelijke keuzen die samenhangen met de opwekking van hernieuwbare energie en het bij elkaar brengen van partijen.
  • 2. Herstructurerings- en transformatieopgaven kunnen hand in hand gaan met energieopgaven en kansen bieden voor het zuinig(er) en zorgvuldiger gebruik van energie en grondstoffen.
  • 3. Transitie naar een duurzame agrarische bedrijfsvoering, met – in antwoord op de veranderde eisen van consumenten en direct omwonenden – bijzondere aandacht voor volksgezondheid, dierenwelzijn en zorg voor het milieu (onder andere door ketenoptimalisatie). Dit biedt kansen om de concurrentiepositie van de agro- en foodsector – en daarmee de toegevoegde waarde voor de regionale economie - te versterken.
  • 4. Energiebesparing en CO2-reductie in het openbaar vervoer, onder andere door zero emissie busvervoer.
  • Regionale economie

Opgaven en kansen:

  • 1. Stimulering van de economie en zorg voor werkgelegenheid is een belangrijke opgave. Overijssel heeft een goede uitgangspositie in de nationale topsectoren hightech, chemie, energie, agro&food en life sciences/health. En in de regionale sectoren: vrijetijdseconomie en de bouw. Verder liggen er kansen voor de logistieke sector: Overijssel heeft qua ligging, infrastructuur, ondernemerschap en kennis belangrijke troeven in handen om een sterkere positie in te nemen in het (inter)nationale logistieke netwerk. Dit biedt mogelijkheden voor nieuwe werkgelegenheid voor zowel laag, middelbaar als hoog opgeleiden.
  • 2. Herstel van de balans tussen vraag en aanbod van woon- en werklocaties (zowel kwantitatief als kwalitatief) is een belangrijke opgave. Daarnaast noodzaakt afname van de ruimtedruk tot het kwalitatief op peil houden en herstructurering van bestaand stedelijk gebied. Regionaal is een stimuleringsbeleid en een actieve (re)programmering op bovenlokale ontwikkelingen voor woningbouw en werklocaties (bedrijventerreinen, kantorenlocaties en detailhandel) noodzakelijk. Het feit dat in Overijssel krimp en groei naast elkaar bestaan, vraagt om specifiek maatwerk dat rekening houdt met deze verschillen.
  • 3. De verminderde financiële armslag betekent dat we steeds vaker een afweging moeten maken tussen het maatschappelijk belang van een bepaalde voorziening en financiële overwegingen (zoals rendabele voorzieningen op een bepaald schaalniveau). De instandhouding van een goed netwerk van (betaalbaar) openbaar vervoer is bijvoorbeeld een grote uitdaging.

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities van de provincie, gebruiken we het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen 'of', 'waar' en 'hoe' centraal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2018001045-0301_0005.png"

Afbeelding - de roden draden uit de omgevingsvisie

  • Of – generieke beleidskeuzes
    Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen van de provincie. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie.
  • Waar – ontwikkelingsperspectieven
    Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de visie op de toekomst van Overijssel worden zes ontwikkelingsperspectieven onderscheiden. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn.
  • Hoe – gebiedskenmerken
    Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype verstaan die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype.

Of - Generieke beleidskeuzes

Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van Europa, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de structuurvisie vind je de provinciale generieke beleidskeuzes die bepalend zijn voor de vraag of een initiatief mogelijk is. Een deel van deze beleidskeuzes geldt voor heel Overijssel en een deel voor specifieke gebieden in Overijssel.

Boringsvrijezones
Het plangebied ligt in de boringsvrije zone Salland Diep. In een boringsvrije zone bevinden zich beschermde bodemlagen tussen het maaiveld en het watervoerende pakket waaraan het grondwater wordt onttrokken.

Beleid boringsvrije zone Salland Diep
Onder Salland ligt een zoetwater voorraad die goed is beschermd door een aaneengesloten dikke kleilaag. Voor dit watervoerende (diepe) pakket onder Salland geldt al sinds 1991 dat we onttrekkingen alleen toestaan voor de openbare drinkwatervoorziening en voor hoogwaardig industrieel gebruik waarop de Warenwet van toepassing is. Daarbij moet worden aangetoond dat een onttrekking aan het ondiepe pakket of een andere locatie geen goed alternatief is.

In 2006 is bij de herziening van het grondwaterbeschermingsbeleid voor dit gebied ook een milieuzonering vastgesteld in de vorm van een boringsvrije zone. Doel hiervan is om naast de beleidsmatige bescherming ook de fysieke bescherming in de vorm van de aaneengesloten dichte kleilagen in de ondergrond in stand te houden. Dit betekent dat mechanische bodemingrepen die de beschermende functie teniet zouden kunnen doen, niet zijn toegestaan. Ook geldt hier een absoluut verbod om bodemenergiesystemen te installeren die de ondoordringbare kleilaag doorboren en een verbod om koelwater, afvalwater en overige (verontreinigde) vloeistoffen te lozen. Het belang van het water is kaderstellend.

Waar - ontwikkelingsperspectieven

Ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving  
In de Groene Omgeving gaat het wat de provincie betreft vooral om: behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie.

Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
Voor alle nieuwe en grootschalige ontwikkelingen in het buitengebied geldt dat een goede ruimtelijke inpassing verplicht is. Naast deze basisinspanning kan het zijn dat er aanvullende kwaliteitsprestaties nodig zijn. Voor het bepalen van de mate van aanvullende kwaliteitsprestaties gelden drie variabelen:

  • 1. Is de ontwikkeling 'gebiedseigen' of 'gebiedsvreemd?';
  • 2. Wat is de schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving?; en
  • 3. Dient het initiatief een eigen belang, of ook maatschappelijke belangen?

Hulpmiddel bij toepassing in de praktijk is het Werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving dat samen met gemeenten is opgesteld. Het werkboek geeft antwoord op vragen als 'Voor welke ontwikkelingen geldt het?' en 'Hoe bepaal je de balans?'. De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) is opgenomen in de provinciale verordening.

In de Groene Omgeving worden drie ontwikkelingsperspectieven onderscheiden, ieder met een eigen accent:

  • de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW)
  • agrarisch ondernemen in het grootschalige landschap
  • wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap

Zoals in navolgende afbeelding is weergegeven, valt het onderhavige plangebied in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2018001045-0301_0006.png"

Afbeelding - Uitsnede Ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'

Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' de ambitie 'Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen' voorop. Daarnaast gelden – net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven – de ruimtelijke kwaliteitsambities:

  • zichtbaar en beleefbaar mooi landschap;
  • sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel;
  • continu en beleefbaar watersysteem.

De ontwikkeling is niet in strijd met het gebiedstype 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'.

Hoe - Gebiedskenmerken

Nieuwe ruimtelijke opgaven worden verbonden met bestaande gebiedskenmerken. De gebiedskenmerken spelen zo een belangrijke rol bij de vraag hoe een initiatief invulling kan krijgen. Onder gebiedskenmerken verstaan we de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype.

De gebiedskenmerken worden onderscheiden in vier lagen:

  • de natuurlijke laag;
  • de laag van het agrarisch cultuurlandschap;
  • de stedelijke laag;
  • de laag van de beleving.

Gebiedskenmerken natuurlijke laag
De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt.

De ruimtelijke kwaliteitsambities in de natuurlijke laag zijn:

  • natuur als ruggengraat: de ontwikkeling van een robuust, aaneengesloten natuurlijk landschap;
  • een continu en beleefbaar watersysteem als dragende structuur van Overijssel.

Het (beter) afstemmen van locatiekeuzes en inrichtingsopgaven op de natuurlijke laag is een duurzame strategie. Het betekent onder andere:

  • het behoud van kwaliteiten van de natuurlijke laag, zoals aardkundige waarden en natuurlijk reliëf;
  • het intact laten of versterken van de veerkracht van het watersysteem en daarmee anticiperen op klimaatverandering;
  • het voorkomen dat locatiekeuzes leiden tot wateroverlast (bijvoorbeeld door te bouwen op de hooggelegen droge delen in het landschap;)
  • het behouden en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit).

In de natuurlijke laag worden verschillende gebiedstypen onderscheiden. Het plangebied valt binnen het gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie navolgende afbeelding). De ruimtelijke kwaliteitsambitie binnen de dekzandvlakte en ruggen is om de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Tevens is bij ontwikkelingen de richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2018001045-0301_0007.png"

Afbeelding - Uitsnede plangebied binnen de 'natuurlijke laag' 'Dekzandvlakte en ruggen'

De ontwikkeling is niet in strijd met het gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen'.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap
De laag van het agrarisch cultuurlandschap beschrijft het palet van agrarische cultuurlandschappen met hun dragende structuren en nederzettingsvormen. Deze laag is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden – en worden – gebracht. Door de eeuwen heen is een geschakeerd patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen en dorpen) gegroeid. Vanouds kennen de nederzettingen een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omliggende landschap.

De ruimtelijke kwaliteitsambitie in de laag van het agrarisch cultuurlandschap is:

  • Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen; het palet van agrarische cultuurlandschappen versterken en contrasten tussen de landschappen behouden en ontwikkelen.

Onderhavige ontwikkeling valt binnen de categorie 'Oude hoevenlandschap', zie onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2018001045-0301_0008.png"

Afbeelding Uitsnede plangebied binnen de 'Laag van het agrarisch landschap' 'Oude hoevenlandschap'

De ruimtelijke kwaliteitsambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Als ontwikkelingen plaatsvinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan het behoud en accentuering van de dragende structuren van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen.

De ontwikkeling is niet in strijd met het gebiedstype 'Oude hoevenlandschap'.

Stedelijke laag
De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen spoorwegen en waterwegen. Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden.

Het perceel ligt binnen de stedelijke laag in het gebiedskenmerken 'Informele trage netwerk' en 'Verspreide bebouwing'.

Het 'Informele trage netwerk' is het 'langzame' netwerk van de provincie, dat delen van het agrarisch cultuurlandschap en het natuurlijke laag toegankelijk en ervaarbaar maakt. Indien ontwikkelingen plaats vinden in de gebieden die in de directe invloedsfeer van stad en dorp liggen, dan dragen deze ontwikkelingen bij aan het behoud en de verkleining van de maaswijdte van het padennetwerk.

In het gebiedskenmerk 'Verspreide bebouwing' is sprake van een brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus: elk buurtschap, dorp en stad heeft zijn eigen kleur. Contrast tussen dynamische en luwe gebieden moeten worden versterkt door het infrastructuurnetwerk. Hierbij is de sturingsfilosofie dat de ontwikkeling van nieuwe erven bijdraagt aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.

De ontwikkeling is niet in strijd met de gebiedstypen 'Informele trage netwerk' en 'Verspreide bebouwing'.

Laag van de beleving
In de laag van beleving komen de natuurlijke, functionele een sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw en tussen nut en schoonheid.

Op de locatie is het gebiedskenmerk 'Donkerte' van toepassing. Over het gebiedskenmerk 'Donkerte' kan worden gezegd, dat hier de sturingsfilosofie is dat in de donkere gebieden wordt ingezet op de minimaal noodzakelijk toepassingen van het kunstlicht. Dit vereist het selectief inzetten en 'richten' van kunstlicht. Er is veel aandacht voor het vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen in het buitengebied.

Het plangebied is tevens aangeduid als onderdeel van de 'IJssellinie inundatieveld'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2018001045-0301_0009.png"

Afbeelding - Uitsnede plangebied in de 'Laag van de beleving' IJssellinie inundatieveld' en 'Donkerte'

In de gebiedskenmerken is dit gebied één van de bakens in de tijd en geldt er een cultuurhistorische ambitie. Het creëren van verbindingen en verbanden tussen bestaande bakens die onderdeel van een groter geheel zijn, maar nu verloren of geïsoleerd in het landschap liggen is een onderdeel van die ambitie. Ook is het mogelijk bakens van deze tijd toe te voegen. Cultuurhistorische waarden dienen behouden te worden door ze bewust in te zetten in gebiedsopgaves.

De onderhavige ontwikkeling is niet in strijd met de ligging van het plangebied binnen de 'IJssellinie inundatieveld'. Tevens is de ontwikkeling is niet in strijd met het gebiedstype 'Donkerte'.

3.1.2 Omgevingsverordening Overijssel, beken kleur (2017)

De Omgevingsverordening geeft vanuit de ambities en doelstellingen, die zijn neergelegd in de Omgevingsvisie, richting aan de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in Overijssel. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Uitgangspunt daarbij is dat niet meer geregeld is dan strikt noodzakelijk en dat dubbele regelgeving wordt voorkomen.

In de Omgevingsverordening is door de provincie opgenomen dat onderbouwd dient te worden dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken en passen binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie is neergelegd. Bij dergelijke ontwikkelingen geldt bovendien de voorwaarde van een goede landschappelijke inpassing.

Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO)
Door de Omgevingsvisie is het eerdere detailkader, zoals o.a. 'Rood voor Rood', 'Rood voor Groen' en 'Nieuwe Landgoederen' vervallen en is er een nieuw document opgesteld: de 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' (KGO). KGO is vastgelegd in de provinciale verordening (artikel 2.1.6). De KGO gaat er vanuit dat er ruimte is voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe functies in het buitengebied, mits hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn en er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke ruimtelijke kwaliteit in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Twee principes zijn leidend;

  • Elke ontwikkeling dient bij te dragen aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit;
  • De ontwikkelingsruimte die men krijgt dient in evenwicht te zijn met investeringen in de ruimtelijke kwaliteit.

Uitgangspunt is dat plannen ontwikkelingsruimte krijgen als deze passen binnen het generieke beleid en de ontwikkelingsperspectieven van de provincie en worden uitgewerkt conform de gebiedskenmerken. Voorwaarde daarbij is dat de geboden ontwikkelruimte in evenwicht is met de te leveren kwaliteitsprestaties. Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke inpassing zoals de situering van gebouwen en erfbeplanting. Voor het bepalen van de hoogte van aanvullende kwaliteitsprestaties wordt het plan getoetst aan de hand van de volgende drie variabelen:

  • Is de ontwikkeling gebiedseigen of gebiedsvreemd;
  • Wat is de schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving;
  • Dient het initiatief een eigen belang of ook maatschappelijke belangen.

Gebiedseigenheid van de ontwikkeling
De ontwikkeling betreft de transformatie van een agrarisch boerenerf naar een woonerf aan het Anem 26 te Wijhe. De woonfunctie past goed in dit gebied. In de nabije omgeving bevinden zich meerdere woonfuncties op vrijgekomen boerenerven. Het gebied kenmerkt zich als een 'mixlandschap', waarbij agrarische functies vermengd zijn met woonfuncties.

Het uiterlijk van het eindresultaat bepaalt in sterke mate of de ontwikkeling esthetisch past in het gebied of niet. In het erfinrichtingsplan zijn uitgangspunten opgesteld waaraan voldaan moet worden. Hiermee is geborgd dat het uiterlijk van het eindresultaat esthetisch past in het gebied.

Schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving
De schaal van de ontwikkeling is mede bepalend voor de impact op de omgeving. De schaal van de ontwikkeling aan Het Anem 26 is klein. Met toepassing van het KGO-beleid kunnen de landschapsontsierende objecten aan Het Anem 26 worden gesloopt. Ter compensatie wordt een nieuwe woning op de slooplocatie toegevoegd. De nieuwe woning wordt als schuurwoning ondergeschikt aan de boerderij gerealiseerd. Het oude boerenerf wordt een compact erf waarbij de bebouwing is geclusterd. Het oppervlak aan bijgebouwen wordt beperkt tot 100 m2 (bij recht toegestaan). Het bouwvolume op het erf neemt aanmerkelijk af. Daarnaast wordt de ontwikkeling landschappelijk goed ingepast. Al met al wordt daarmee een forse winst in ruimtelijke kwaliteit geboekt. De impact op omgeving is dan ook klein.

Eigen belang versus maatschappelijk belang
Door de transformatie naar een woonerf met drie woningen wordt de ontwikkeling economisch uitvoerbaar. Functies in de omgeving van het plangebied worden niet beperkt. Het plan dient deels een eigen belang, maar past binnen het overheidsbeleid. Het plan heeft ook een maatschappelijk belang, namelijk het instandhouden en beheren van de karakteristieke boerderij. De karakteristieke boerderij wordt gesplitst, zodat deze behouden blijft voor de volgende generaties. Het plan voorziet in een nieuwe functie voor een voormalig agrarisch erf. Leegstaande landschapsontsierende agrarische bebouwing wordt gesloopt.

Met de sloop van de jongveestal, de mestkelder en de oude funderingen van een schuur kan een forse impuls worden gegeven aan de ruimtelijke kwaliteit. De terp waarop de oude IJsselhoeve staat, is in het landschap nog goed zichtbaar. Herstel van de terp zal de cultuurhistorische waarde van het oude boerenerf sterk verbeteren.

Conclusie
Op basis van het KGO-beleid is alleen het goed ruimtelijk inpassen van de ontwikkeling voldoende om een compensatiewoning te realiseren. Er wordt een forse winst in de ruimtelijke kwaliteit geboekt door de sloop van landschapsontsierende, leegstaande bebouwing en de erfverharding, mestkelder aan Het Anem 26.

  • De compensatiewoning is gebiedsvreemd:
  • Het totale bouwvolume neemt af;
  • Bestaande functies in de omgeving worden niet beperkt;
  • Het nieuwe woonerf wordt landschappelijk zorgvuldig ingepast met aandacht voor de historische waarde van de plek;

Op basis van het KGO-beleid zijn extra inspanningen noodzakelijk. Een extra woning toevoegen ter compensatie van de sloop van agrarische bebouwing is altijd gebiedsvreemd.

Voor de locatie aan het Anem 26 zullen extra kwaliteitsmaatregelen worden genomen, zoals:

  • het inzaaien van kruidenmengsels langs de akkerranden;
  • restaureren van de karakteristieke boerderij in samenwerking met de Monumentenwacht Overijssel Flevoland;
  • sloop van de stenen schuur en hergebruik van de materialen bij wederopbouw;
  • aanplant van landschapselementen buiten het erf;
  • Inzet van de zichtbaarheid van de verhoogde ligging in het landschap door het agrarisch land tot aan de gevel te laten doorlopen;
  • De stenen garage aan de oostzijde van de boerderij passend maken door bijvoorbeeld de gevel te keimen.

3.2 Regionaal beleid

3.2.1 LOP-visie

In 2008 hebben de gemeente Deventer, Olst-Wijhe en Raalte het toekomstbeeld voor Salland in een LOP (landschapsontwikkelingsplan) vastgelegd. De LOP-visie schetst het toekomstbeeld voor Salland. De visie maakt duidelijk welke ontwikkelingen passen in het Sallandse landschap en hoe het karakter van dit landschap versterkt kan worden. De kern van Salland Eigen is versterking van het al bestaande landschap, behoud van streekeigen kenmerken en het tegengaan van verloedering. De ontwikkelingen die in het gebied spelen en op het gebied afkomen worden ingezet als 'motoren' voor landschapsontwikkeling.

Uit de toelichting landschappelijke ontwikkeling, zie bijlage 1, blijkt dat de boerderij is gelegen op een hoge kop van de Sallandse oeverwallen in het rieveren landschap. De grond heeft een fijnzandige bodem. Het is niet duidelijk of deze kop door wind of door rivierafzetting is ontstaan. De meesten hadden in het verleden een naam die eindigde op –berg. Voorbeelden zijn de Schaesberg, Horzelberg en de Opberg. De boerderij de Grote Opberg dank zijn naam naar alle waarschijnlijkheid aan deze hoger gelegen kop.

Het landschap ter plaatse kenmerkt zich door openheid. In de jaren vijftig tot zeventig van de vorige eeuw waren veel percelen in gebruik voor fruitteelt. Tegenwoordig zijn er afwisselend melkvee houderijen en burgerwoningen. Waarschijnlijk heeft er voor de boerderij een formele omhaagde tuin gelegen. De typische erfelementen zoals de moestuin siertuin en fruitgaard zijn niet meer aanwezig. Aan de oostzijde bevindt zich een aantal (knot)wilgen welke mogelijk zijn voortgekomen uit de teelt van wilgentenen welke werden gebruikt voor het maken van manden en korven. De boerderij bevindt zich op een natuurlijk ontstane terp. Het is een open gebied met prachtige vergezichten. De hoge ligging met relatief weinig hoge beplanting benadrukt dit.

Uitgangspunten bij de landschappelijke inpassing

  • Behoud van de openheid
  • Behoud zichtlijnen
  • Herstel typisch erfelementen
  • Compact erf behouden
  • Op het erf staan aan de oostzijde enkele solitaire bomen (populieren). Verder bevindt zich naast de ligboxenstal een solitaire boom (inlandse eik).

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Toekomstvisie Olst-Wijhe

De gemeente Olst-Wijhe heeft haar ideeën en wensen voor de ruimtelijke inrichting van haar grondgebied vastgelegd in een structuurvisie. Deze visie vormt een belangrijk uitgangspunt en toetsingskader voor ruimtelijke plannen. De structuurvisie van Olst-Wijhe is op 22 juni 2009 door de gemeenteraad vastgesteld. De visie bestaat uit de Toekomstvisie Olst-Wijhe (d.d. 7 april 2008) en het Realisatiehoofdstuk (d.d. 14 april 2009).

Op 12 december 2011 heeft de gemeenteraad van Olst-Wijhe een actualisatie van de Structuurvisie vastgesteld en de Nota Bovenwijkse Voorzieningen aangepast.

Kernpunten van het profiel voor Olst-Wijhe
De kernpunten van de Toekomstvisie zijn:

  • 1. Inzetten op de lokale samenleving: overzichtelijk, met betrokkenheid, een bloeiend verenigingsleven en ontplooiingskansen voor iedereen.
  • 2. Behouden en waar mogelijk versterken van het brede voorzieningenpakket: van detailhandel, scholen, sport, zorg tot cultuur. Extra woningbouw als motor voor dit streven.
  • 3. Een brede economische structuur met de focus op de lokale economie met voldoende werkgelegenheid en oog voor verbreding, innovatie en ondernemerschap.
  • 4. Versterken van het landschap, de diversiteit en de grote potentie die het landschap en haar natuurwaarden hebben als vestigingsplaatsfactor (wonen) en voor recreatie en toerisme. Het watersysteem en de natuur vormen de duurzame dragers.
  • 5. Vitaliteit van het landelijk gebied door in te zetten op een brede, kwalitatieve landbouw en nieuwe economische dragers in het buitengebied.

Wonen als krachtig middel voor een vitale gemeente
Bestaand beleid
In het beleid van de provincie, zoals verwoord in het Streekplan, geldt Olst-Wijhe als een gemeente zonder bijzondere taakstelling. De gemeente Olst-Wijhe dient te bouwen voor ‘eigen behoefte’ en zich primair te richten op de woonbehoefte van de eigen bevolking. Olst-Wijhe heeft op dit moment daarnaast een tijdelijk taakstelling voor de bovenlokale behoefte.

De afspraken rond woningbouw worden niet langer op basis van alleen kwantitatieve aspecten gevoerd (contingenten) maar ook op kwalitatieve aspecten. Het doel is onder meer om de landelijke gemeenten te ondersteunen bij het realiseren van woonruimte voor sociaaleconomisch gebonden doelgroepen, met name jongeren (starters op de woningmarkt) en ouderen. Het uitgangspunt is dat er vraaggericht wordt gebouwd.

Woningbouw in en nabij de kernen
Het landschap vormt het goud van de gemeente. Daarom is het uitgangspunt dat uitbreiding pas aan de orde is als de kansen voor inbreiding zijn benut of onvoldoende uitkomst bieden. Het overgrote deel van de nieuw te bouwen woningen wordt geclusterd rond Olst en Wijhe, mede om de voorzieningenstructuur daar te versterken.

Wonen wordt daarnaast als middel ingezet om het landschap in het buitengebied te versterken. Dit kan door wonen in vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen, door rood-voor-rood, in woonlandschappen en door nieuwe landgoederen.

Het voorliggende bestemmingsplan sluit goed aan op de Toekomstvisie Olst-Wijhe. Met voorliggend initiatief is sprake van (her)gebruik van een bestaande locatie waarmee en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit gepaard gaat.

3.3.2 Structuurvisie Olst - Wijhe (2017)

De structuurvisie Olst-Wijhe wordt waarschijnlijk in het najaar van 2017 vastgesteld. De structuurvisie Olst-Wijhe beschrijft in hoofdlijnen de gewenste ruimtelijke ontwikkeling voor de gemeente voor de komende jaren. De visie beschrijft de aard van de gemeente (de identiteit), de ontwikkelingen die spelen, de ambities en de manier waarop die gerealiseerd kunnen worden. Voor deze visie is de gemeente ingedeeld in vier gebieden:

  • Sterke dorpen
  • Prachtige IJsselzone
  • Lommerrijke landgoederen
  • Sallandse platteland.

Het plangebied ligt binnen het gebied 'Sallands platteland' en kenmerkt zicht door een zekere mate van diversiteit, openheid en kleinschaligheid.
Het uitgangspunt in de structuurvisie het behouden en versterken van de identiteit van de gebieden. De visie is een handleiding voor èn een uitnodiging aan inwoners en organisaties om nieuwe ontwikkelingen te realiseren. Ontwikkelingen die bijdragen aan de versterking van de identiteit en kwaliteit van de leefomgeving en het landschap.

De hoofdpunten uit de visie zijn:

  • 1. Aantrekkelijk en veilig wonen voor jong en oud met passende toekomstbestendige maatschappelijke voorzieningen en mogelijkheden om te werken in en om de dorpen en buurtschappen.
  • 2. Evenwicht tussen leefkwaliteit, bereikbaarheid en mobiliteit.
  • 3. Vrijetijdsbesteding als impuls voor de lokale economie met de aantrekkelijke IJsselzone en ‘IJsselfront Olst-Wijhe’ als integrale gebiedsontwikkeling.
  • 4. Versterken van toekomstbestendige landbouw en landgoederen.
  • 5. Inzetten op het duurzaam vormgeven van nieuwe ontwikkelingen, op duurzame energie en energiebesparing in het kader van de energietransitie.
  • 6. Samenwerken aan circulaire economie, aan vestigingsmogelijkheden voor lokale ondernemers en daar waar mogelijk innovatie bevorderen.

Wonen
Nieuwe woonvormen voor ouderen en kwetsbare groepen zoals de meer-generatie-woning, kangoeroewoning, meegroeiwoning, maar ook het Vriendenerf Olst, zijn in opkomst als antwoord op veranderende woonbehoeftes. Een logische ontwikkeling met een steeds ouder wordende bevolking die langer (zelfstandig) thuis wil of moet wonen. Ook duurzame woningen zijn een trend, zoals de nul-op-de-meterwoningen (zelfvoorzienend in energie). Daarnaast zijn de gasloze wijken (geen gasaansluiting) in opkomst.

De woningmarkt heeft lange tijd ‘op slot’ gezeten en komt nu weer op gang. Ook in Olst-Wijhe is er de komende tijd sprake van een lichte groei door de vraag naar specifieke woonvormen, bijvoorbeeld private woon-zorg combinaties of klein en betaalbaar wonen. Daarnaast bestaat de trend van minder mensen per woning en de behoefte aan levensloopbestendige woningen. Op basis van de huishoudensprognose zal de behoefte aan extra woningen het grootst zijn in de dorpen Olst en Wijhe.

Voorgenomen ontwikkeling past binnen de gemeentelijke structuurvisie en het gebied 'Sallands Landschap'. Er is een Erf- en Landschapsplan opgesteld waarmee de voorgenomen ontwikkeling aansluit op de omgeving.

3.3.3 Woonvisie Olst-Wijhe 2016-2020

Sinds 1 januari 2016 is de Woonvisie 2016 - 2020 van kracht. Gekozen is voor een visie op hoofdlijnen die veel ruimte laat voor verdere inkleuring. Dat past in een veranderende tijd waar flexibiliteit en maatwerk gevraagd worden. Daarbij raakt het thema wonen ons allen en dat vraagt zeker en vooral in de uitwerking om een participatieve aanpak. Ook wil de gemeente met deze invulling goed inspelen op nieuwe ontwikkelingen en niet kiezen voor een strak maatpak, dat immers minder goed bij deze tijd past. Het is de uitdaging om soepel in te kunnen blijven spelen op de maatschappelijke ontwikkelingen.

In dit beleidskader is de volgende visie en uitgangspunten voor het wonen in Olst-Wijhe geformuleerd.

De visie luidt: Wij willen een aantrekkelijke vitale woongemeente zijn met leefbare duurzame kernen.

Dit vertaalt zich in de volgende uitgangspunten:

  • We streven naar vitale kernen waar inwoners met plezier wonen. Daarvoor is de onderlinge noaberschap belangrijk, maar ook het initiatief van inwoners om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor de kwaliteit van hun woonomgeving.
  • Wij streven naar een passend aanbod van voorzieningen in de verschillende kernen. Een passend aanbod betekent dat rekening wordt gehouden met verschillen in schaalgrootte en dat bestaande voorzieningen zoveel mogelijk in stand worden gehouden; Een aantal voorzieningen zoals winkels, zorg en welzijn is vooral in de kernen Olst en Wijhe geconcentreerd.
  • Wij kennen een rijke differentiatie aan woonmilieus en sluiten aan bij de lokale behoefte die per kern kan verschillen. Het bieden van maatwerk staat daarbij voorop.
  • De gemeente heeft een gedifferentieerde woningvoorraad die aansluit bij de behoefte en wensen van onze inwoners; de voorraad is zoveel mogelijk levensloop geschikt en het nieuwbouwprogramma ondersteunt de gewenste ontwikkeling van de bestaande voorraad.
  • Alle doelgroepen worden zo goed mogelijk bediend. Speciale aandacht gaat daarbij uit naar kwetsbare groepen, zorgbehoevenden en jongeren met een kleine beurs die willen starten op de woningmarkt.
  • Een aantrekkelijk woonklimaat betekent dat we ons sterk maken voor leefbare wijken en kernen met veel groen en met oog voor ruimtelijke kwaliteit. Ook opteren we voor behoud van goede vervoersverbindingen naar Deventer, Zwolle en Raalte.
  • Wij willen inzetten op een duurzame woonomgeving. Onze ambitie is om in de toekomst energieneutrale kernen te ontwikkelen. Daarbij richten wij ons op energie neutrale nieuwbouw, verduurzaming van de bestaande woningvoorraad en op samenwerking op wijken kernniveau om collectief in te zetten op een duurzaam veilige en leefbare woonomgeving.

Het profiel als woongemeente
De kracht van ons profiel als woongemeente zit met name in de bijzondere ligging aan de IJssel tussen de Hanzesteden Deventer en Zwolle. Daarbij beschikken we over een prima voorzieningenniveau, afgezet tegen de schaal van onze gemeente en kernen - en kennen we uitstekende verbindingen met de beide genoemde Hanzesteden. Ook is het prettige leef- en woonklimaat met gevarieerde woonmilieus, actief noaberschap en een bloeiend verenigingsleven een duidelijke plus. Dit sterke profiel kunnen we nog sterker voor onze promotie inzetten.

Het voorliggende initiatief is gericht op het behoud van de karakteristieke IJsselhoeve en ondergeschikt hieraan de bouw van een schuurwoning. Het sluit goed aan bij de uitgangspunten van de Woonvisie. Tevens opteert de gemeente bij nieuwe ontwikkelingen voor inbreiding indien daar concrete mogelijkheden voor zijn.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Ten behoeve van dit bestemmingsplan zijn verschillende planologische en milieuaspecten beoordeeld. In dit hoofdstuk zijn de conclusies van de onderzoeken genoemd en is beschreven of het thema al dan niet gevolgen heeft voor bestemmingsplan.

4.1 Archeologie

Archeologische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het verdrag van Malta en de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die de archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn.

Door de gemeente Olst-Wijhe is de beleidsnota voor archeologie opgesteld. Deze nota dient middels dit bestemmingsplan zijn doorvertaling te krijgen in de geldende bestemmingsplannen binnen de gemeente. Voor de gemeente is inzichtelijk gemaakt waar en wanneer met het bodemarchief rekening dient te worden gehouden. Hiervoor is voor het totale grondgebied van de gemeente een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart opgesteld. De archeologische verwachtingskaart maakt duidelijk waar zich (mogelijke) archeologische resten kunnen bevinden. Het grondgebied is hiervoor opgedeeld in drie zones:

  • hoge archeologische verwachting;
  • middelhoge archeologische verwachting;
  • lage archeologische verwachting.

Op basis van de archeologische verwachtingskaart is een beleidsadvieskaart opgesteld. Aan de op de kaart voorkomende verwachtingszones zijn beleidsadviezen gekoppeld. De kaart is een visuele vertaling van het gemeentelijk archeologiebeleid. Het doel van de beleidsadvieskaart is dat deze met bijbehorende regels in de gemeentelijke structuurvisie en bestemmingsplannen wordt overgenomen.

De nota en de gemeentelijke beleidsadvieskaart vormen samen het beleidskader archeologie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2018001045-0301_0010.png"

Afbeelding - uitsnede archeologische verwachtingskaart met de globale ligging van het plangebied.

Het plangebied is gelegen in een gebied met een hoge verwachting. Voor het buitengebied is het beleidsadvies als volgt:

  • Er geldt een onderzoeksplicht in gebieden met een hoge archeologische verwachting (zie archeologische beleidsadvieskaart gemeente Olst-Wijhe) bij plangebieden groter dan 2500 m2 en bij een verstoring dieper dan 50 cm.

Het onderhavige bestemmingsplan
Voor het onderhavige plangebied geldt een hoge verwachtingswaarde. In het onderhavige bestemmingsplan wordt nieuwe bebouwing toegevoegd. Archeologisch onderzoek is niet nodig omdat het plangebied minder dan 2500 m2 groot is. Daarnaast is de nieuwbouw gesitueerd op de slooplocatie. De bodem is geroerd door de eerdere agrarische functie, daarom is geen archeologisch onderzoek vereist. De bestaande dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - 1" blijft behouden.

4.2 Bodem

Door Hunneman Milieu-Advies Raalte is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de planlocatie. Het onderzoek heeft tot doel een actueel en betrouwbaar inzicht te geven in de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Hieruit zijn de volgende conclusies en aanbevelingen naar voren gekomen.

Verkennend bodemonderzoek
Zintuiglijk zijn lokaal in de bovengrond matige bijmengingen aan puindelen waargenomen. In de bodem is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.

In de vaste bodem zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, PCB's en /of minerale olie aangetoond. In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek.

Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en bestaan, geen bezwaren voor de voorgenomen bestemmingswijziging en herinrichting van de locatie.

Wij adviseren om de aangetroffen asbestverontreiniging ter plaatse van RE-01 (onder de drupzone) onder milieukundige begeleiding te verwijderen. Voorafgaand aan de uitvoer dient een BUS-melding (immobiel) te worden ingediend bij het bevoegd gezag, de Provincie Overijssel.

Beoordeling Omgevingsdienst IJsselland
Door de Omgevingsdienst IJsselland is het verkennend bodemonderzoek beoordeeld. Deze beoordeling is als bijlage 5 van de toelichting toegevoegd. De omgevingsdienst concludeert het volgende:

De op de locatie uitgevoerde voor bodemverontreiniging verdachte activiteiten hebben geleid tot een minimale verslechtering van de bodemkwaliteit. De aangetoonde licht verhoogde gehalten vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek en/of aanvullende (sanerings)maatregelen.

Het onderhavige bestemmingsplan
Op basis van het verkennend bodemonderzoek en de beoordeling van de Omgevingsdienst wordt geconcludeerd dat de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de bodem geen belemmeringen zijn voor de onderhavige ontwikkeling.

4.3 Geluid

In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt tussen geluidsgevoelige functies enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Indien een geluidsgevoelige functie mogelijk wordt gemaakt en binnen de zone van een weg, spoorweg of een industriegebied ligt, dient onderzocht te worden of voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde.

Het onderhavige bestemmingsplan
De planlocatie ligt buiten de geluidzone van het Anem en de Rijksstraatweg. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek voor deze locatie is niet noodzakelijk. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

4.4 Luchtkwaliteit

Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor projecten die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Het onderhavige bestemmingsplan
De onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de mogelijkheid om inpandig twee extra woningen mogelijk te maken en de bouw van een nieuwe woning op de slooplocatie van de jongveestal. Deze ontwikkeling is dermate beperkt dat de ontwikkeling onder de regeling 'Niet in betekenende mate' valt. Bovendien zijn in de gemeente Olst-Wijhe geen knelpunten bekend met betrekking tot de luchtkwaliteit.

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

4.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen en moet worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (Brzo 1999);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:

  • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • de Regeling basisnet;
  • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

In het kader van externe veiligheid worden in hoofdzaak drie mogelijke risicobronnen onderscheiden, namelijk inrichtingen, transportroutes en (ondergrondse) buisleidingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2018001045-0301_0011.png"

Afbeelding - Risicovolle inrichtingen nabij het plangebied (bron: www.risicokaart.nl) 

Het onderhavige bestemmingsplan
Ten Oosten op 260 meter van het plangebied loopt een hoge druk aardgasleiding. Daarnaast vindt ten westen van het plan op ongeveer 350 meter vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor plaats. Verder zijn er geen relevante risicobronnen in de directe omgeving aanwezig. Vanwege de twee genoemde risicobronnen is er advies gevraagd aan de Omgevingsdienst. Dit advies is bijgevoegd in bijlage 6.

Vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor
Aan de westzijde van het plangebied is het spoortraject Zwolle Deventer gelegen. Over dit traject worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het toetsingskader voor de daaruit voortvloeiende risico's is thans het Besluit externe veiligheid transportroutes. Het Besluit bepaalt dat binnen een zone van 200 meter vanaf het spoor en de weg het 10-6 plaatsgebonden risicocontour (PR) en groepsrisico (GR) wordt onderzocht bij ruimtelijke planvorming. Aangezien het spoor op meer dan 200 meter van het plangebied is gelegen is verdere onderzoek naar externe veiligheid niet noodzakelijk.

Hoge druk aardgasleiding
Aan de oostzijde van het plangebied ligt op ongeveer 260 meter een hoge drukaardgasleiding van de Gasunie. Het betreft buisleiding N-551-20 met een druk van 40 bar en diameter van 8 inch. Voor een dergelijke leiding geldt een invloedgebied van 95 meter waarbinnen het groepsrisico conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen moet worden berekend en verantwoord. Aangezien de leiding op meer dan 95 meter van het plangebied is gelegen is verdere verantwoording en berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk. De signaleringstool hanteert een invloedgebied van 500 meter, omdat er ook leidingen zijn die een grotere invloedgebied hebben dan de betreffende leiding in de buurt van dit plan. Het invloedgebied hangt sterk af van de druk en diameter van de leiding. Een carola berekening is in deze dan ook niet nodig.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van dit plan.

4.6 Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.

Deze milieuzonering dient aldus twee doelen:

  • Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen;
  • Het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen.

Het onderhavige bestemmingsplan
Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf ligt op ruim 370 meter afstand van het plangebied. De ontwikkeling van het agrarische perceel naar een woonerf levert geen belemmeringen op voor het betreffende agrarisch bedrijf.

4.7 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) schrijft voor op welke wijze een bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij een milieuvergunning aanvraagt. Indirect geeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de 'omgekeerde werking' genoemd. De reden hiervoor is duidelijk: een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder.

Het onderhavige bestemmingsplan
In het kader van het bestemmingsplan Buitengebied is in 2009 een plan-Mer bestemmingsplan Buitengebied Salland opgesteld. Onderdeel van deze plan-Mer zijn kaarten met de geurbelasting. Een uitsnede van de kaart ter hoogte van de planlocatie is als bijlage meegestuurd. Uit dit kaartmateriaal, op basis van de situatie in 2009, blijkt dat er sprake is van een zeer goed leefklimaat. Er liggen geen grote intensieve veehouderijen in de directe omgeving van de planlocatie. Gezien de afstand tot de grote intensieve veehouderijen is de verwachting dat eventuele ontwikkelingen bij deze bedrijven niet hebben geleid tot een zodanige wijziging van de geurbelasting dat daarmee kwalificatie van het leefklimaat op de planlocatie is gewijzigd.

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

4.8 Ecologie

Gebiedsbescherming
De bescherming van natuurgebieden komt voort uit de Europese richtlijnen voor behoud van een Natura 2000-netwerk en uit het provinciale beleid voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De gebiedsbescherming houdt in dat wanneer er binnen of nabij een natuurgebied ruimtelijke ingrepen of menselijke activiteiten gaan plaatsvinden, er beoordeeld moet worden of de beschermde natuurgebieden niet in het geding zijn. In dat geval is een ecologisch onderzoek noodzakelijk.

Soortenbescherming
Wanneer een bestemmingsplan handelingen mogelijk maakt die beschermde planten en dieren kunnen bedreigen, is het verplicht om vooraf te toetsen of deze plannen kunnen leiden tot overtreding van algemene verbodsbepalingen. Wanneer dit het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen genomen kunnen worden om dit te voorkomen, indien dit niet mogelijk is dienen de gevolgen voor beschermde soorten zoveel mogelijk beperkt te worden.

In opdracht van de initiatiefnemer is een quickscan Wnb uitgevoerd. De quickscan is in bijlage 7 van de toelichting gevoegd. Hieronder worden de conclusies en aanbevelingen uit de quickscan pgenomen.

Quickscan Wet natuurbescherming
Gebiedsbescherming
Het plangebied is geen onderdeel van een beschermd gebied. Ten noorden van het plangebied ligt een onderdeel van het Nederlandse Natuurnetwerk (NNN). De minimale afstand tot het NNN bedraagt circa 800 meter. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de beschermde gebieden in de omgeving op grond van de grote afstand tot die gebieden, het kleinschalige karakter van de ingrepen en het vrijwel ongewijzigde gebruik van het terrein.

Soortenbescherming 
Flora
Het plangebied bestaat wat de groene ruimte betreft uit voedselrijke en verstoorde bodem. De vegetatie wordt gevormd door stikstofminnende en ruderale soorten zoals de grote brandnetel. Op grond van het karakter en het gebruik van het terrein is het voorkomen van bedreigde en beschermde soorten planten echter uit te sluiten.

Zoogdieren
Door uitvoering kan verstoring van algemene soorten kleine zoogdieren optreden. Op het erf zijn van de beschermde soorten alleen enkele algemene, weinig kritische soorten zoogdieren te verwachten, met name egel, huisspitsmuis en gewone bosmuis. Beide soorten zijn nationaal beschermd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Voor de genoemde en te verwachten soorten geldt in provincie Overijssel een algemene ontheffing van de verbodsbepalingen in geval van ruimtelijke ontwikkelingen. De gebouwen zijn in theorie geschikt als verblijfplaats voor steenmarter, maar verborgen ruimten in de constructie komen niet voor en in de ruimten zijn geen sporen van de soort aangetroffen.

Vleermuizen
De gebouwen zijn in de huidige staat ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, omdat verborgen ruimten ontbreken. Een rol van het erf in vlieg- en foerageerroutes is uit te sluiten.

Vogels
Het erf is matig geschikt voor vogels vanwege het kleine aanbod opgaande begroeiing en omdat de gebouwen enkelwandig zijn en weinig nissen en besloten ruimten bieden. Er zijn algemene vogelsoorten van het buitengebied te verwachten, zoals merel, houtduif, winterkoning. De huismus was afwezig op het erf maar wel prominent en territoriaal aanwezig op het erf ten westen van het plangebied. De aanwezigheid van nestplaatsen van de huismus in het plangebied is uitgesloten.
Wat de soorten met een vaste nestplaats betreft is dat de ongebruikte, afgesloten zolder, de deel en de schuurzolder in potentie geschikt is. Er zijn echter geen recente sporen van uilen gevonden. Vaste nestplaatsen van vogels zijn niet aanwezig op het erf.

Overige soortgroepen
Het plangebied biedt geen habitats die voldoen aan de eisen van beschermde soorten
uit de overige soortgroepen.

Het onderhavige bestemmingsplan
Op grond van de resultaten van het onderzoek is geconcludeerd dat het plan geen negatieve effecten heeft voor beschermde natuurgebieden. De ingrepen kunnen een negatief effect hebben op algemene, kleine zoogdieren, maar voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling in geval van ruimtelijke ingrepen. Bij de sloop van de schuur en het eventuele rooien van groen moet rekening gehouden met broedvogels. Het is verboden schade te berokkenen aan vogels en broedsels. Daarom dienen de genoemde ingrepen buiten het broedseizoen plaats te vinden. De piek van het broedseizoen ligt in de periode van 15 maart tot 15 juli, maar eerdere en vooral latere broedsels komen voor.

Het aspect natuur en ecologie vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

4.9 Water

Relevant beleid
Het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021, de beleidsnota Water Raakt!, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050, Beleid Beheer en Onderhoud Stedelijk water 2013-2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De genoemde beleidsdocumenten kunnen worden ingezien op het hoofdkantoor van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ook zijn deze te raadplegen op de internetsite: www.wdodelta.nl. Op gemeentelijk niveau is het in overleg met het waterschap opgestelde gemeentelijk Waterplan en het (verbreed) gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van belang.

Watertoets
De watertoets houdt in dat vroegtijdig in het planvormingsproces rekening moet worden gehouden met de waterhuishouding. Sinds 2003 bestaat de wettelijke verplichting om de watertoets bij ruimtelijke plannen en besluiten te betrekken. Daarom moet in een vroegtijdig stadium van de planvorming overleg plaatsvinden met de waterbeheerder. In een dergelijk overleg wordt stilgestaan bij de consequenties van het nieuwe ruimtelijke plan ten aanzien van de waterhuishouding en mogelijk te nemen waterhuishoudkundige maatregelen. De watertoets is in de toelichting bij het bestemmingsplan opgenomen in de vorm van de waterparagraaf.

Het onderhavige bestemmingsplan
De watertoets voor dit plan heeft op 7 februari 2018 plaatsgevonden via de Digitale Watertoets. Op basis van de watertoets is gebleken dat er bij dit plan geen waterhuishoudkundige aspecten van belang zijn. Het Waterschap Drentse Overijsselse Delta heeft geen belang bij dit plan. Voor de volledigheid is de samenvatting van de watertoets opgenomen in bijlage 8 van het bestemmingsplan.

Het aspect water vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan .

4.10 Overstromingsrisico's

Op de risicokaart is aangegeven dat het plangebied een kleine kans heeft op overstromingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1773.BP2018001045-0301_0012.png"

Afbeelding - uitsnede risicokaart (bron: www.risicokaart.nl)

Het onderhavige bestemmingsplan
Het plangebied ligt ten oosten van de IJssel binnen het dijkringgebied Salland (nummer 53) aan.
Dit dijkringgebied loopt een risico op overstroming als resultaat van haar situering in de lage delen van Overijssel en haar ligging ten opzichte van de primaire waterkering van de IJssel. Als gevolg van klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. De dijkringgebieden zijn vastgelegd in de nieuwe waterkaart. Voor dergelijke gebieden is het risico inzichtelijk gemaakt voor overstroming bij een doorbraak van de dijk. De gevolgen van een overstroming zijn bepaald door inzicht te geven in de maximale waterdiepte tijdens een overstroming en de snelheid waarmee een gebied overstroomt. Het plangebied is aangemerkt als liggende in een gebied dat minder snel en ondiep onderloopt. De maximale waterdiepte tijdens een overstroming is voor het plangebied in de huidige situatie ingeschat op 0,8 à 2,0 m (overstromingsdiepte; water boven maaiveld).

De wettelijke norm voor de dijkring is een overschrijdingskans van 1:1.250 per jaar.

Het overstromingswater zal doorgaans de weg van de minste weerstand volgen en derhalve zullen eerst de laaggelegen gebieden onder water lopen. Afhankelijk van hoe snel het water kan worden afgevoerd kan in het plangebied overstroming plaatsvinden.

Voor het plangebied is het van belang dat nagedacht wordt over voorzieningen die de risico's kunnen beperken. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen de dijkringen is het gewenst dat tijdig wordt nagedacht over voorzieningen dan wel maatregelen die kunnen worden getroffen waarbij eventuele risico's en nadelige effecten van een overstroming kunnen worden beperkt. Het betreft ook een stuk bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Bij de ontwikkeling van het plangebied dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en).

4.11 Verkeer en parkeren

Eind 2014 is de Woningwet gewijzigd waarbij is bepaald dat een groot deel van de bouwverordening op 1 juli 2018 van rechtswege is vervallen. Het gaat dan onder andere om de stedenbouwkundige bepalingen waaronder de parkeernormbepaling. Omdat hierdoor niet meer kon worden verwezen naar de stedenbouwkundige bepalingen, wordt er bij alle bestemmingsplannen van de gemeente Olst-Wijhe een bepaling t.b.v. de parkeernormen opgenomen.
Vanaf begin 2015 gebeurt dit al bij alle nieuwe bestemmingsplannen maar omdat vóór 1 juli 2018 niet alle bestemmingsplannen zijn herzien moet dus in elk bestemmingsplan de verwijzing naar de Bouwverordening worden verwijderd en is via deze parapluregeling een nieuw artikel opgenomen waarin het parkeerbeleid wordt geregeld. Om de parkeernormen ook van toepassing te laten zijn op dit bestemmingsplan zijn de bepalingen uit het Parapluplan Parkeren overgenomen. Hierdoor kunnen nieuwe aanvragen worden getoetst aan de vigerende parkeernormen van de gemeente Olst-Wijhe.

Hoofdstuk 5 Toelichting op de planregels

5.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. Een actueel bestemmingsplan met een heldere regeling draagt bij aan de handhaafbaarheid van de inrichting van het plangebied en geldt als toetsingskader voor het gebruik en de bouwmogelijkheden.

De regels geven inhoud aan de aangegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden.

Bij dit bestemmingsplan is zo veel mogelijk aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan Buitengebied, dat op 21 mei 2012 is vastgesteld en op 8 september 2014 is herzien.

Verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen die in het gebied voorkomen, in beeld gebracht. Ook zijn aanduidingen opgenomen voor specifiek in het gebied voorkomende elementen.

Regels
De opbouw van de regels is gelijk aan die van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw van de regels is als volgt:

  • hoofdstuk Inleidende regels van de regels geeft de algemene bepalingen weer. Het betreft de begripsbepalingen (artikel 1), waarin de in het plan voorkomende begrippen worden gedefinieerd. In artikel 2 'wijze van meten' wordt aangegeven hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden;
  • in hoofdstuk Bestemmingsregels zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. Per bestemming is bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels er gelden. Tevens zijn enkele flexibiliteitsbepalingen opgenomen (wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden);
  • in hoofdstuk Algemene regels staan aanvullende bepalingen die, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, voor het hele plangebied gelden. Hierbij kan worden gedacht aan de algemene afwijkingsregeling, die het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft om op ondergeschikte punten van de regels in hoofdstuk 2 af te wijken;
  • hoofdstuk Overgangs- en slotregels van de regels heeft betrekking op het overgangsrecht en de slotbepaling.

Navolgend worden de bestemmingen Agrarisch en Wonen en de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie - 1 en Waarde - Landschap - 2 toegelicht.

5.2 Agrarisch

Gronden met de bestemming Agrarisch zijn in de eerste plaats bedoeld voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf of het weiden van vee en/of het verbouwen van gewassen.

Ter plaatse van het perceel aan het Anem wordt de strook agrarische grond gebruikt voor het behoud van de openheid van het landschap. Er is geen bouwvlak opgenomen in de bestemming agrarisch.

5.3 Wonen

Gronden met de bestemming Wonen zijn bestemd voor gebouwen waar wordt gewoond, daaronder begrepen kleinschalige beroepen- en bedrijven-aan-huis, en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals tuinen en parkeervoorzieningen. Ter plaatse van het bestemmingsvlak is middels een maatvoeringaanduiding aangegeven dat drie woningen in het bouwvlak zijn toegestaan. De woningen mogen de bestaande inhoud bedragen.

5.4 Waarde - Archeologie - 1

Om de archeologische waardevolle gebieden veilig te stellen, gelden er op gronden met de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 1 beperkingen ten aanzien van het bouwen voor de met deze bestemming samenvallende bestemmingen. Bouwen of het uitvoeren van grondbeperkingen dieper dan 50 cm met een groter oppervlak dan 5.000 m² is uitsluitend toegestaan indien uit onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat de waarden voldoende worden veiliggesteld. Daarnaast geldt er een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

5.5 Waarde - Landschap - 2

De dubbelbestemming Waarde - Landschap - 2 dient om de waarden die samenhangen met de kommen op deze gronden te versterken. Deze waarden hebben betrekking met openheid. De gronden zijn, behalve voor de andere op deze gronden geldende bestemmingen, bestemd voor behoud, versterking en ontwikkeling van deze openheid.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het plan betreft een initiatief van een particulier waarmee geen gemeentelijke investeringen zijn gemoeid. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin onder andere afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Alle kosten voor de te voeren planologische procedure, de realisatie van de ontwikkeling en eventuele toegekende planschadecompensatie als gevolg van de ontwikkeling, komen voor rekening van de initiatiefnemer.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan moet aangetoond worden. Een van de manieren om dit te achterhalen is het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure.
Tijdens deze procedure zijn verschillende momenten aanwezig waarop instanties, omwonenden en anderen een reactie kunnen geven op het bestemmingsplan. Daarbij gaat het achtereenvolgens om zienswijzen en beroep. Wanneer nodig wordt het bestemmingsplan aangepast op grond van ingediende reacties.

6.2.1 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied, Het Anem 26, Wijhe heeft van 17 januari 2019 tot en met 27 februari 2019 ter inzage gelegen. Tijdens de ter inzagelegging gaf de eigenaar van het perceel ten westen van het perceel Het Anem 26 aan een opmerking te hebben op het erf- en landschapsplan. Na overleg tussen de eigenaar, de initiatiefnemer van de bestemmingsplanherziening en de gemeente is besloten een wijziging in het erf- en landschapsplan door te voeren. Het gewijzigde 'Erf- en Landschapsplan' is opgenomen in bijlage 2. In de Nota ambtshalve wijzigingen wordt deze wijziging verder toegelicht. Er zijn verder geen zienswijzen ingediend.

Het ontwerpbestemmingsplan is ter toetsing voorgelegd aan de provincie Overijssel en het Waterschap Drents Overijsselse Delta. De provincie kan instemmen met het plan. Het waterschap heeft geen reactie gegeven op het plan.

6.2.2 Vaststelling

Het bestemmingsplan is gewijzigd vastgesteld op 8 april 2019. Het besluit tot het vaststellen van het bestemmingsplan is opgenomen in het Vaststellingsbesluit.